Foto Koen Blanckaert / Belga

Als de winsthonger van de vleesindustrie slachtafval op ons bord legt

Als winst en concurrentie voorrang krijgen op voedselveiligheid, zijn fraude en geknoei het gevolg. Dat toont het schandaal rond vleesbedrijf Veviba pijnlijk aan. Tijd voor een ander voedselbeleid. Willen we een voedseleconomie die mens-, dier- en milieu- en natuurvriendelijk is of een voedseleconomie die enkel zoveel mogelijk winst maakt? 

In Kosovo werd in 2016 vlees ontdekt dat al dateerde van 2004. De etiketten waren vervalst. Het vlees was afkomstig van het Belgische bedrijf Veviba. De Belgische overheid werd onmiddellijk ingelicht, maar het duurde nog tot februari 2018 eer het gerecht hier in actie schoot.

Veviba blijkt op meerdere vlakken niet vies te zijn van fraude. Slachtafval in rundergehakt, niet biologisch vlees dat toch verkocht wordt als bio …

Het voedselbeleid is volledig onderworpen aan de “wetten en regels” van de markteconomie, wat leidt tot dergelijke uitwassen.

Een grondige en brede bezinning dringt zich op over wat voor onze samenleving nodig en goed is inzake voedsel en voeding.

Anderhalf jaar niks gebeurd

In september 2016 stelde de voedselautoriteit van Kosovo bij de invoer van vlees afkomstig van vleesbedrijf Veviba uit Bastenaken vast dat er gesjoemeld was met de invriesdatum van het vlees op de etiketten. Het Belgische federaal voedselagentschap (FAVV) werd daarover ingelicht. De klacht werd in handen gegeven van het Belgisch gerecht.

Anderhalf jaar later, eind februari 2018, liet de onderzoeksrechter een huiszoeking uitvoeren in de vestiging van het bedrijf in Bastenaken. Bij 70% van de onderzochte stalen werden onregelmatigheden vastgesteld: geknoei met invriesdata op etiketten, slachtafval in rundgehakt, niet-biologisch vlees dat toch met het label “bio” op de markt wordt gebracht …

Op 8 maart trok het FAVV de erkenning in van zowel het vleesverwerkingsatelier als van het koelhuis van Veviba. Twee vleesproducten, rundgehakt en ossenstaart, werden uit de grootwarenhuisrekken genomen. Grootwarenhuizen Delhaize, Colruyt en gedeeltelijk ook Carrefour zegden hun samenwerking met Veviba op.

Kwalijke reputatie

Veviba is een onderdeel van de Groep Verbist, en die sleept al langer een kwalijke reputatie achter zich aan. In 2017 werden in het slachthuis van Izegem, dat deel uitmaakt van de Groep Verbist, zware inbreuken tegen het dierenwelzijn opgemerkt.

In 1997, in het kader van de maatregelen tegen de dollekoeienziekte, was Groep Verbist ook al aangeklaagd wegens vervalsing van keuringscertificaten van uitgevoerd vlees.

Daarbovenop verschenen er in de media getuigenissen van werknemers van Veviba over het gebrek aan hygiëne in het bedrijf. Ook over de “bedrijfscultuur”, want bij Veviba is er blijkbaar sprake van angst voor sancties tegen wie bepaalde wantoestanden aanklaagt. Tevens is er sprake van niet-betaling van overuren en van gebrekkige of niet-naleving van de sociale wetgeving en van het syndicaal statuut in de onderneming ...

Leverancier van supermarkten

Groep Verbist vertegenwoordigt zo’n 30% van de totale Belgische vleesverwerkende industrie en is actief in alle schakels van de sector – vanaf de slachthuizen, de uitsnijderijen, de verwerking en koeling en het transport – tot het moment waarop het vlees wordt geleverd aan de grootwarenhuizen of uitgevoerd, zowel binnen als buiten de Europese Unie.

De groep heeft een jaaromzet van 200 miljoen euro en maakte in 2016 bijna 0,9 miljoen euro nettowinst. Nochtans krijgt de groep ook miljoenen euro steun van de overheid, onder meer investeringssteun.

De vestiging van Veviba in Bastenaken is de belangrijkste leverancier van rundvlees in de grootwarenhuizen op de Belgische markt.

Bij Veviba zouden ongeveer driehonderd mensen werken. Slechts een honderdtal van hen zijn rechtstreeks in loondienst, de anderen zijn schijnzelfstandigen (onderaannemers) en hebben een Oost-Europese nationaliteit (Polen, Bulgarije, Roemenië).

Verantwoordelijkheden en vragen

Vanzelfsprekend is het bedrijf verantwoordelijk voor de fraude op zich. Het gaat zowel om zogenaamde economische fraude, zoals het vervalsen van invriesdata op de etiketten of het presenteren van niet-biologische gekweekt vlees als biovlees, als om het vervalsen van vleesproducten als zodanig door inmenging van slachtafval in gehakt. Slachtafval is trouwens niet gekeurd op het vlak van voedselveiligheid en mag niet in de voedselketen terechtkomen.

De grens tussen “economische fraude” en “fraude inzake voedselveiligheid” is heel dun. Vervalsing van invriesdata op etiketten heeft immers tot doel om vlees langer in het voedselcircuit te houden (economische fraude). Indien echter de koelketting onderbroken geweest is of langer is dan voorgesteld wordt op het etiket, is de betrouwbaarheid van het product niet langer verzekerd (fraude inzake voedselveiligheid).

Daarnaast zijn er vragen over de aanpak van het federaal voedselagentschap. De vaststelling van de fraude van september 2016 in Kosovo gaf aanleiding tot het openen van een gerechtelijk onderzoek. Voor het FAVV was dit blijkbaar nog onvoldoende reden om het bedrijf een statuut van verhoogd risico toe te kennen en om de controles intensiever en frequenter te voeren. Ook niet toen later in een ander bedrijf van deze groep feiten van dierenmishandeling werden vastgesteld.

Dit schandaal is spijtig genoeg niet het eerste in de rij. Denken we aan de dioxinecrisis (1999) en het fipronilschandaal (2017). In het eerste geval ging het om het frauduleus inmengen van een afvalproduct in de voedselketen (veevoeder) met het oog op verlaging van de kostprijs. In het tweede geval ging het om het gebruik van een niet toegelaten insecticide om grote pluimveestallen te ontsmetten.

In beide gevallen reageerde de overheid laattijdig en doet ze, op het vlak van communicatie, niet veel méér dan de bevolking gerust proberen te stellen.

Één doel: maximale winst

Nochtans is er iets structureel verkeerd met onze voedingsindustrie, maar ook met het landbouw- en voedselbeleid in het algemeen.

Het voedselbeleid is immers volledig onderworpen aan de “wetten en regels” van de markteconomie. In alle schakels van de voedselketen, tot en met de grootwarenhuizen, hebben de privémarktdeelnemers maar één doel voor ogen: het binnenhalen van maximale winst (accumulatie). Een tweede marktregel is de concurrentie: elk bedrijf streeft een zo groot mogelijk aandeel na op de markt, zo mogelijk en indien nodig ten koste van (het marktaandeel van) de andere marktdeelnemers. Het nastreven van een steeds grotere omzet, onder meer door schaalvergroting en door verkoop op buitenlandse markten, is een van de instrumenten van de markteconomie. Een ander instrument is het zoveel mogelijk verlagen van de productiekost, onder meer door het afwentelen van kosten op werknemers en leveranciers. Binnen dit geheel is het beginsel “voedselveiligheid”, waaronder het voorzorgsbeginsel, eerder een te omzeilen obstakel dan een onaantastbare doelstelling.

In die optiek zou het logisch zijn dat de controles van het FAVV strenger zouden zijn in functie van de entiteit die gecontroleerd moet worden. Er kunnen vragen gesteld worden over de middelen die het FAVV voor haar opdrachten krijgt en over het principe van “autocontrole” (waarbij het bedrijf zelf verantwoordelijk is voor het grootste deel van de controles).

Een ander voedselbeleid is noodzakelijk

Hoe in de voedselketen kosten worden afgewenteld op andere schakels komt bijvoorbeeld tot uiting in het probleem van de structureel te lage prijzen die veehouders en landbouwers krijgen voor hun producten. Ook zij worden meegezogen in dit systeem en staan voor de keuze: ofwel meedoen en (onder meer) hun bedrijf vergroten, ofwel vroeg of laat verdwijnen. Ook de werknemers zijn het slachtoffer, want zij krijgen te maken met ondermaatse arbeidsvoorwaarden, zoals bij Veviba.

Een grondige en brede bezinning over wat voor onze samenleving nodig en goed is inzake voedsel en voeding dringt zich op.

Kijken we naar de samenstelling van het voedselpakket dat aangeboden wordt op de markt: dit bevat duidelijk teveel vlees(producten), suikers, vetten, zout en allerlei andere toevoegingen die niet echt nodig zijn en zelfs schadelijk voor de gezondheid. Bovendien is het voedsel dikwijls overmatig geraffineerd (te weinig vezels, te weinig verse groenten en fruit). Toename van ziekten zoals diabetes en obesitas zijn duidelijke en aangetoonde gevolgen hiervan. Er groeit hierover weliswaar een beter bewustzijn, maar niet iedereen heeft toegang tot voldoende en gezond voedsel.

Die verkeerde samenstelling van wat op de voedselmarkt wordt aangeboden, is aangestuurd door de voedingsindustrie en -distributie, die zélf overmatig gedreven zijn door winstbejag en concurrentie, en niet door de zorg voor de voedselkwaliteit. Alles wat goed is voor de omzet staat immers voorop.

De concentratie van de industrie op almaar minder vestigingen en met veel minder maar grotere leveranciers en afnemers, met aanvoer vanuit verafgelegen plaatsen en met verdeling van de producten naar steeds verder gelegen plaatsen, leidt eveneens tot toenemende overlast voor mens, milieu (broeikasgassen, fijn stof ...) en natuur, alleen al door de toenemende transportbehoefte. Een ander deel van die kosten, zoals het onderhoud van wegen, wordt gedragen door de hele samenleving.

Kort na de dioxinecrisis, in mei 2000, schreven we al een artikel met als titel “Het is wachten op het volgende voedselschandaal”: “Afdoende controle, waterdichte garanties voor de volksgezondheid, een verzekerde voedselvoorziening voor iedereen op deze planeet: dit kan enkel maar als gebroken wordt met het winstbejag en de concurrentie. Dat is maar mogelijk indien de behoeften van de bevolking voorrang krijgen op de winstcijfers. (...)”

Het is tijd voor een grondige en ruime bezinning over onze voedseleconomie. Willen we een voedseleconomie die mens-, dier- en milieu- en natuurvriendelijk is, of een voedseleconomie die het voedsel enkel ziet als een product waarmee zoveel mogelijk winst gemaakt wordt.

Commentaar toevoegen

Reacties

Meer dan twintig jaar onderhield en herstelde ik machines in de vleesindustrie. De toestanden die ik daar meemaakte grenzen aan het ongelooflijke. Die stank van rottend vlees en de wriemelende maden op die machines zal ik nooit vergeten. Het is natuurlijk al geld wat telt in het regime waarin we leven en die bazen van de voedselindustrie zijn geen haar beter dan de andere bazen. De ministers zullen wel hun elite beenhouwer hebben; het "plebs" mag drek vreten. Verantwoordelijkheid kennen ze niet bij de hoge heren en dames arbeider-haters. Dan is er ook nog het slaan op die dieren, alsmaar slaan en schoppen. Dit stopt niet. Wie zijn hier de beesten ? Ik vrees dat hier geen verandering in zal komen, zeker niet vanuit die regering want dit gaat zo al jaren en jaren en van de ene smeerlapperij naar de volgende.
Iets belangrijks ben ik vergeten : er zijn mensen in de vleesindustrie die hun werk serieus nemen en waar men bij manier van spreken van de vloer kan eten. Die machines zijn héél proper, stinken niet en worden goed onderhouden. Daar heb ik respect voor en het is heel spijtig dat zij de dupe zijn van de wantoestanden van hun collega's. Enkel zij zouden mogen werken in die industrie en al die anderen horen daar niet thuis. Wees verzekerd : die minderheid, die échte ambachtelijke ('kleine') beenhouwers, die zijn bekend in de sector. De rest zou van schaamte in de grond mogen zakken, het zijn niets ontziende geldwolven. Wat kan men verwachten van mensen die knoeien met eten voor anderen ? Wat zijn dat ? Hoe dom kan men zijn ? Hoe laag kan iemand vallen ? Heeft dat geen zelfrespect ? Hun reactie kan ik voorspellen : woede of uitlachen ! Eigen schuld, dikken boelt !