Armoede onder de loep: over de vernietiging van de sociale zekerheid, “goede” of “slechte” armen en bedreigde OCMW’s

De federale regering zal de armoede doen toenemen en de kansen van mensen in armoede doen dalen. Haar voornaamste doel is de concurrentie op de arbeidsmarkt te verhogen. De studiedienst van de PVDA ontrafelde het meerderheidsakkoord van de regering Michel-De Wever en haar visie omtrent armoedebestrijding.

In de kiescampagne voor de federale verkiezingen van 25 mei 2014 kreeg armoede veel aandacht. Zelfs de N-VA, nochtans op economisch vlak een uitgesproken neoliberale partij, beloofde bijvoorbeeld om alle sociale uitkeringen op te trekken tot het niveau van de armoedegrens. Hoe kan een partij die er absoluut geen graten in ziet dat de ongelijkheid toeneemt, het in haar programma toch hebben over armoedebestrijding? Ook op het vlak van de ministerpostjes heeft de nationalistische partij een duidelijke belangstelling voor het armoedevraagstuk. Nadat ze al OCMW-voorzitster was in Antwerpen, zal Liesbeth Homans (N-VA) als minister binnen de Vlaamse regering bevoegd worden voor armoedebestrijding. In de federale regering wordt dat dan Elke Sleurs, eveneens uit de rangen van de N-VA.

We kunnen ons dan ook met recht en rede afvragen wat de motieven zijn van een rechtse regering en in het bijzonder van het meest radicale deel ervan, de N-VA, om zoveel belang te hechten aan het thema armoede. Eigenlijk proberen de N-VA en deze regering ons een bepaalde opvatting over armoedebestrijding te verkopen. Met de ene hand vernietigen ze de mechanismen die de rijkdom herverdelen en met de andere hand stoppen ze – om de gevolgen wat te verlichten – de armen die het “verdienen” wat kruimels toe.

Enkele cijfers over armoede

De armoedegrens. In België ligt de armoedegrens op 1.000 euro per maand voor een alleenstaande en op 2.100 euro voor een gezin met twee kinderen.

Armoede in België. Een op de zeven Belgen leeft in armoede, en een op de vijf riskeert in de armoede of de sociale uitsluiting terecht te komen. Vier op de tien eenoudergezinnen leven in armoede. Bij de gepensioneerden heeft een op de vijf een inkomen onder de armoedegrens.

Armoede bij kinderen. In Vlaanderen wordt een op de tien kinderen geboren in een arm gezin. In Wallonië is dat een op de vier. In Brussel een op de drie.

Armoede in Europa. Bijna een kwart van de Europeanen, 124,5 miljoen om precies te zijn, werd in 2012 bedreigd met armoede of sociale uitsluiting.

1. Armoedebestrijding om de sociale zekerheid af te breken

“Een eventuele verhoging van het aantal leeflooncliënten ten gevolge nieuwe sociaal-economische hervormingen zal desgevallend leiden tot bijkomende compensatiemiddelen voor de OCMW’s.” (p. 37)

Als we maar één centraal punt zouden moeten onthouden over de opvatting van deze regering over armoedebestrijding, dan is het wel de idee om die te koppelen aan de vernietiging van de Sociale Zekerheid. Het enige wat de N-VA nastreeft met al haar aandacht voor armoede is onze manier van denken over sociale rechtvaardigheid om te buigen. En daarmee natuurlijk ook over de instellingen die daarvoor zorgen. De regering weet maar al te goed dat haar maatregelen rond werklozen, index, gezondheidszorg en pensioenen de armoede zal doen toenemen. Maar haar zorg is niet zozeer de armoede terug te dringen, maar wel hoe er mee om te gaan.

Het antwoord dat na WO II aan het armoedeprobleem gegeven werd, was de invoering van de sociale zekerheid. Die moest een zekere bestaanszekerheid garanderen met verworven rechten die men opbouwde via werk. Deze notie van ‘recht’ staat lijnrecht tegenover een veel meer op het individu en op “verantwoordelijkheid” afgestemde opvatting van de voorheen bestaande COO’s, de Centra voor Openbare Onderstand (de voorlopers van de OCMW’s op gemeentelijk vlak). De overgang van een sterk individuele visie op sociale problemen (Je bent er zelf verantwoordelijk voor als je arm of werkloos bent) naar een collectieve visie (de sociale kwalen zijn een product van het kapitalisme) leidde ook tot een ander soort instellingen. Van arbitraire bijstand (men helpt alleen de “goede armen”) naar sociale zekerheid, gebaseerd op rechten (men spreekt niet langer over “goede” of “slechte” armen, maar alleen over rechthebbenden).

Het doel van de regering-Michel-De Wever is eenvoudig. Ze wil af van die naoorlogse fantastische sociale vooruitgang. Ze wil terug de verantwoordelijkheid voor armoede en werkloosheid bij het individu leggen. Armoede is in hun ogen niet het structurele gevolg van het economische systeem, maar het resultaat van onze eigen beslissingen, of zelfs van onze eigen luiheid. We moeten de strijd aanbinden tegen deze plaag van luiheid en van rechten die alleen maar de “hangmatcultuur” in stand houden. Daarvoor moeten we op de eerste plaats de instellingen ondergraven die “bijstandtrekkers” de “hand boven het hoofd houden”. Het moet afgelopen zijn met de ‘Zekerheid’. Voortaan moeten we sociale rechthebbenden zien als mensen die alleen maar een toelage krijgen als ze aan bepaalde voorwaarden beantwoorden. Elke uitkering gaat gepaard met “responsabilisering en activering”. Men moet de rechten breken en de personen “responsabiliseren”: alleen zo kan men een schifting maken tussen armen die het “verdienen” en “slechte” armen die “niet willen werken”.

De regering probeert dus onze sociale rechten drastisch af te bouwen door middel van zeer radicale hervormingen in de sociale zekerheid en het arbeidsrecht. Haar strijd tegen armoede gaat in de praktijk niet verder dan het beperken van de gevolgen van haar antisociale beleid, en de regering trekt daarvoor een mager bedrag uit om “verdienstelijke” armen te redden. De regering geeft in haar regeerakkoord trouwens zelf toe dat er een verband is tussen enerzijds haar “macro-economische” beleid en haar sociale hervormingen die nog meer armoede veroorzaken, en anderzijds de maatregelen die ze doorvoert om de effecten van dat beleid af te zwakken: “Een eventuele verhoging van het aantal leeflooncliënten ten gevolge nieuwe sociaal-economische hervormingen zal desgevallend leiden tot bijkomende compensatiemiddelen voor de OCMW’s.” (p. 37)

De regering erkent dus impliciet dat de geplande hervormingen voor meer armoede gaan zorgen. Ze zal geld vrijmaken zodat de veroorzaakte “sociale afbraak” minder hard aankomt. Probleem is dat het hierbij om oneindig veel minder geld gaat dan wat de besparingen wegnemen.

Het is niet de eerste keer dat we dat zien gebeuren (hoewel het nooit eerder zo flagrant was). Professor Jan Vranken schreef het ook al in Armoede in België. Jaarboek 2013. Daarin vraagt hij zich af of het “directe” armoedebeleid niet bedoeld is om de negatieve gevolgen van het “indirecte” armoedebeleid te neutraliseren. Met “indirect” beleid verwijst Vranken naar de effecten van ander beleid, bijvoorbeeld op het vlak van pensioenen, sociale zekerheid, huisvesting, werkloosheid… Je moet al blind zijn om niet te zien dat heel wat van dat indirect beleid (degressiviteit van de werkloosheidsuitkeringen, wachtuitkeringen, onzekere jobs, lagere pensioenen, besparingen in de gezondheidszorg…) massaal armoede creëert en dat de povere middelen om die te bestrijden, enkel dienen om de effecten wat te verzachten.

In dezelfde zin voegt Vranken er nog aan toe dat de lacunes in de sociale zekerheid en in de sociale bescherming in het algemeen vandaag de dag steeds groter worden en dat dat noodzakelijkerwijze leidt tot meer armen. En het enige wat voor hen overblijft als laatste redmiddel, is het leefloon.

Ideologisch ligt de oorsprong van een dergelijke ontkoppeling tussen “directe” en “indirecte” beleidsmaatregelen voor een groot deel in de opvattingen over sociale rechtvaardigheid die de laatste dertig jaar van neoliberaal beleid geleidelijk vorm kregen. Dat neoliberale beleid is niet enkel verantwoordelijk voor de deregulering van de bankensector en de economie, het heeft ook de manier van denken over het “sociale vraagstuk” grondig gewijzigd.

Beetje bij beetje kwam het bestrijden van de armoede in de plaats van het bestrijden van de ongelijkheid (een van de doelen van onze welvaartstaat). In die visie gaat het er niet zozeer meer om de inkomenskloof te verkleinen of minder snel te laten toenemen, maar om de armen te “activeren”, “responsabiliseren” en “controleren”. De huidige regering wil weliswaar de bezuinigingen in de sociale zekerheid versneld doorvoeren, maar wat armoedebestrijding betreft, zien we wel enige continuïteit met de vorige regering. Activering, opnieuw aan het werk zetten en bestrijding van de “sociale  fraude” blijven ook nu de favoriete streefdoelen.

2. Armoede bestrijden via activering

“Ook tijdens de periode dat men een sociale uitkering geniet, mag niemand uit de boot vallen. De regering verhoogt geleidelijk de minimum sociale zekerheidsuitkeringen en de sociale bijstandsuitkeringen tot het niveau van de Europese armoededrempel.” (p. 35)

Een van de grote pijlers van de campagne van de N-VA was het optrekken van de sociale minima tot de armoededrempel. Menigeen was niet weinig verrast door deze eis. Mensen dachten dat de N-VA echt beloofde dat ze de sociale minima serieus zouden optrekken. Het idee staat zelfs in het regeerakkoord: “Ook tijdens de periode dat men een sociale uitkering geniet, mag niemand uit de boot vallen. De regering verhoogt geleidelijk de minimum sociale zekerheidsuitkeringen en de sociale bijstandsuitkeringen tot het niveau van de Europese armoededrempel. (p. 35)

Maar zo’n uitkering moet je uiteraard verdienen, je moet tonen dat je verantwoordelijk bent. De N-VA heeft nooit een echt onvoorwaardelijk minimumvervangingsinkomen, dat in de buurt van de armoedegrens en waar we allemaal recht op zouden hebben, willen creëren. De N-VA wil alleen een hogere uitkering geven aan diegenen die het verdienen. Zo kunnen de werkloosheidsuitkeringen wel wat omhoog in de eerste periode van de werkloosheid, om ze daarna flink te verlagen, want na een bepaalde tijd verdien je die uitkering niet meer. Deze eis gaat dan ook gepaard met activering en sancties. In het begin zal men wat vrijgeviger zijn, maar daarna ook heel wat repressiever. Een aantal maanden lang een iets hogere uitkering voor de “goede” armen, dan verplicht werk, en vervolgens verminderde uitkeringen voor de “slechte” armen.

Tussen de voorstellen van de N-VA en de klemtoon op activering en sancties is er geen enkele tegenstelling.

Eigenlijk wordt hier gewoon verder uitgediept en geïntensifieerd wat de vorige regering begonnen was. Ook in het regeerakkoord van de vorige regering-Di Rupo stond al iets over “de wil om te integreren via werk en via activering”, wat onder meer inhield dat de OCMW’s en de RVA nauwer zouden gaan samenwerken “om te vermijden dat lasten onterecht worden overgedragen”. (Ontwerpverklaring over het algemeen beleid, 1 december 2011, blz. 159)

Zo konden we daar ook lezen dat de OCMW’s ingeval van toekenning van het leefloon verplicht (zullen) zijn de begunstigde te activeren door hem in te schrijven bij de gewestelijke dienst voor arbeidsvoorziening (blz. 158). Die verplichting is er echter nog niet. Maar het idee om mensen die een leefloon krijgen, door hun inschrijving bij de tewerkstellingsdiensten zoveel mogelijk te activeren is zeer duidelijk. De verplichte inschrijving zou natuurlijk nog een extra voorwaarde zijn voor het recht op een leefloon en een extra instrument om leefloners te controleren. De nieuwe regeringsverklaring volgt dezelfde lijn. Voor de regering-Michel-De Wever is het erg simpel: “Werken is de beste remedie tegen armoede. De regering zal daarom de samenwerking tussen de bevoegde federale en regionale overheidsinstellingen en de OCMW’s faciliteren zodat drempels om te werken voor personen met een werkloosheids-, arbeidsongeschiktheids- of invaliditeitsuitkering of een sociale bijstandsuitkering zo veel mogelijk worden weggewerkt. Activering blijft het speerpunt van het armoedebeleid.” (p. 34)

Het is zeer duidelijk de bedoeling de banden met de tewerkstellingsdiensten aan te halen. Zo komt men tot nieuwe voorwaarden om te kunnen genieten van sociale bijstand, met het gevaar dat de OCMW’s nog meer veranderen in agentschappen voor beroepsactivering.

“De regering onderzoekt hoe ze de OCMW’s via positieve prikkels beter kan aansporen met het oog op een verhoogde inspanning en daaruit voortvloeiend een grotere doorstroom van leefloners naar duurzaam werk en sociale integratie.” (p. 38)

En de regering maakt ook gewag van strenger en regelmatiger evalueren:

“Hierin wordt, in onderling overleg, een duidelijk traject naar meer zelfredzaamheid opgenomen en worden evaluatiemomenten voorzien.” (p. 34)

Armoedebestrijding is voor de regering in essentie het activeren van de uitkeringsgerechtigden. Maar iedereen met een beetje gezond verstand begrijpt dat activeren op zich geen banen schept. Het verhoogt alleen maar de concurrentie tussen de mensen die werk zoeken. Mensen die een uitkering krijgen activeren zal niet één enkele bijkomende job opleveren. Temeer omdat het globale beleid van de regering niet alleen duizenden banen bij de overheid zal vernietigen maar ook bij de privé banen zal kosten door de vermindering van de koopkracht die de crisis nog zal verdiepen.

Om te verdoezelen dat er geen werk is en omdat iedereen weet dat deze mensen geen werk zullen vinden, gaat de regering van alles regelen om die mensen verplicht aan het werk te zetten. Deze maatregel (verplichte gemeenschapsdienst) kwam al ter sprake bij werklozen, maar hij zal nu ook van toepassing zijn voor mensen op het OCMW. En in feite is de maatregel ook niet nieuw. Hij stond al in de beleidsverklaring van de vorige regering. Zo suggereerde die beleidsverklaring “diegenen bij wie professionele activering niet lukt tot nuttige sociale participatie aan te zetten” (Ontwerpverklaring over het algemeen beleid, 1 december 2011, blz. 158). Vandaag zijn de zaken nog veel duidelijker: “De federale regering geeft via een aanpassing van de regelgeving aan de lokale besturen nieuwe instrumenten inzake sociale en maatschappelijke integratie om binnen het GPMI een gemeenschapsdienst voor leefloners uit te werken. Hierbij wordt het initiatief van de cliënt maximaal gerespecteerd en een progressieve maatschappelijke en/of professionele re-integratie beoogd. Op deze manier wordt het sociaal weefsel versterkt, kansen gecreëerd en sociale vaardigheden uitgebouwd.” (p. 38)

Duitse plan Hartz IV wordt werkelijkheid in België

We stevenen vandaag in volle vaart af op het “Duitse” model. De degressiviteit (verminderen in de tijd) van de werkloosheidsuitkeringen werd in Duitsland al eerder ingevoerd en zorgde er voor toestanden van ongeziene “uitputting van rechten”. Het komt erop neer dat de uitkeringen in de derde forfaitaire periode van werkloosheid niet veel meer verschillen van een OCMW-uitkering. Fundamenteel zitten we hierdoor binnen het werkloosheidsstelsel met een dualiteit op het vlak van de rechten. In een eerste periode heb je nog rechten, maar na een bepaalde tijd kom je in een soort regime van “bijstand voor werklozen”, waarbij van ‘rechten’ niet veel meer overblijft.

Die dualisering wordt vandaag nog versterkt door een nieuwe regeringsmaatregel die langdurig werkzoekenden verplicht om twee halve dagen per week gemeenschapsdienst te doen. In de praktijk zal er uiteindelijk zo goed als geen onderscheid meer bestaan tussen mensen op het OCMW en mensen in de laatste periode van hun werkloosheid. En op die manier worden ook de voorwaarden gecreëerd om één enkele categorie van uitkeringsgerechtigden te creëren waarbij langdurig werkzoekenden en “armen”  bij elkaar gegooid worden en uiteindelijk geen recht meer hebben op een werkloosheidsuitkering, zoals in Duitsland. In zo’n situatie zouden de dromen van onze leiders misschien uitkomen, te weten de werkloosheidsuitkeringen in de tijd beperken en de uitkeringsgerechtigden na een zekere periode rechtstreeks in de sociale bijstand doen tuimelen. Heel het programma van de N-VA gaat in die richting. De N-VA pleit immers voor mechanismen van sociale bijstand (onderzoek naar de gezinssituatie en naar het inkomen, zwaardere sancties, gedwongen controles...) binnen het stelsel van de sociale zekerheid.

3. Strijd tegen de fraude van de armen en de rijken in de watten leggen

Sociale fraude krijgt bijzonder veel aandacht van deze nieuwe regering. Maar het zijn grotendeels de armen die ze bij deze fraude viseert. De regering verhoogt de middelen voor een drastische verscherping van hun controle. Of het nu gaat om meer administratief toezicht, om computercontroles (kruising van gegevensbanken) of sociale controles (huisbezoeken, politie…), de controle op de armen zal veel geld kosten.

Veel minder doortastend is deze regering bij de bestrijding van fraude van de grote vermogens en van de rijken. De budgetten daarvoor worden steeds magerder, de gegevens ontbreken en toegeeflijkheid is er troef. Over de armen worden “giga-databanken” samengesteld, maar over de grote vermogens ontbreken de meest elementaire gegevens. Het is duidelijk waar de prioriteiten liggen voor deze regering bij hun strijd tegen de “fraude”. Sommige zijn legitiem, andere niet…

De strijd tegen de fraude zal volgens twee assen verlopen:

1/ Centraliseren van de databases, de centrale zenuw in de oorlog

In haar algemene beleidsnota over de werkgelegenheid zette de vorige minister van Werk, Monica De Coninck, deze “strijd al helemaal bovenaan haar prioriteiten. Ze stelde dat deze strijd zou gevoerd worden door middel van een betere uitwisseling van gegevens, gegevenskruising en datamining tussen de inspectiediensten, de OISZ, de fiscale administratie, de Kruispuntbank van Ondernemingen en derde instanties. Er zou ook een lijst worden opgesteld van gegevensuitwisseling die nog moet worden ontwikkeld. Het vergemakkelijken van de gegevensuitwisseling moest het dus onder de vorige regering al mogelijk maken de fraudeurs sneller op te sporen.

Wat de nieuwe regering over dit probleem zegt, is niet bijster verschillend: “Er wordt verder ingezet op datamining en kruising van gegevens tussen de inspectiediensten, de sociale zekerheidsinstellingen, de fiscale administratie, de Kruispuntbank van de Ondernemingen en derde instanties om dubbel gebruik van sociale uitkeringen of oneigenlijke cumuls van een uitkering met een loon te vermijden en om ontduiking van sociale bijdragen tegen te gaan.” (p. 41)

“De uitwisseling van elektronische gegevens zal waar mogelijk uitgebreid worden en de beschikbare elektronische informatie die hieruit voortvloeit wordt optimaal benut zodat alle uitbetalingsinstellingen van sociale prestaties en uitkeringen bij de opening van het recht kunnen controleren of de toekenningsvoorwaarden vervuld zijn.” (p. 42)

Toch verbaast deze prioriteit ons als we de conclusies lezen van het rapport over de sociale fraude dat Maggie De Block bestelde toen zij nog bevoegd was voor armoedebestrijding. Wat de verificatie van de gegevens uit de verschillende databases betreft blijkt het nog ferm mee te vallen met die sociale fraude: de cijfers laten weinig aan de verbeelding over. In 2012 lag het aantal fraudegevallen onder de 5% (4,59%). Niet verwonderlijk dat Maggie De Block er naar de pers het zwijgen toe deed over dit onderzoek, dat ze nota bene zelf had gevraagd.

2/ Beter controleren op het terrein

Toch blijft de regering op dezelfde weg doorgaan. Naast een betere toegang tot en centralisering van de databases, zullen de uitkeringsgerechtigden veel directer gecontroleerd worden. De regering voorziet niet enkel meer geld, maar wil ook een betere coördinatie van de verschillende diensten (waaronder de politie). Dit is op zijn minst een verontrustende ontwikkeling, want zo worden armoede en criminaliteit impliciet aan elkaar gekoppeld. Een beroep doen op de politie suggereert dat arm zijn een misdaad is.

“De sociale inspectiediensten zullen voldoende ondersteund worden en zo nodig versterkt worden, zodat zij hun doelstellingen inzake controles in fraudegevoelige sectoren kunnen behalen.” (p. 40)

“Domiciliefraude zal tegengegaan worden via samenwerking tussen de politie, het Rijksregister en de sociale inspectiediensten.” (p. 42)

“De coördinatie tussen de diverse inspectiediensten dient te worden verder gezet en versterkt desgevallend door een integratie van de verschillende diensten daar waar er overlapping is, zonder de inningprocessen in gevaar te brengen met het oog op meer slagkracht.” (p. 41)

Nochtans zijn de resultaten van de studie van Maggie De Block wat de domiciliefraude betreft niet om van achterover te vallen. Verre van een ruim verspreide praktijk te zijn beperkt die fraude zich tot maar een paar sporadische “gevallen”.

Onnodig erop te wijzen dat het doel van deze maatregelen uiteindelijk weinig met budgettaire overwegingen heeft te maken. Het zal niet veel opbrengen (120 miljoen volgens de regering) en wat deze maatregel zal kosten, is nog niet erg duidelijk. Het werkelijke doel is de geïnstitutionaliseerde jacht op de armen en het op grote schaal stigmatiseren van hen. Van nu af aan is arm zijn “verdacht”, zelfs nog voor men deze mensen ook maar iets te verwijten heeft. Dit schept de perfecte voorwaarden om armen en steuntrekkers afdoende onder druk te zetten om gelijk welke job aan te nemen.

4. Budgetten, fiscalisering en duistere besparingen…

OCMW-budgetten bedreigd

In verband met het effect van het macro-economische beleid van de regering op het aantal mensen dat zou terugvallen op het OCMW, had de vorige regering al beloofd de verliezen van het OCMW te compenseren. In 2012 trok de voorzitter van het OCMW van Namen al aan de alarmbel. Hij had een schatting gemaakt van het totale verlies voor de OCMW’s van het hele land: in vijf jaar tijd stegen de lasten voor de OCMW’s met 1237%! Concreet 48 miljoen euro. Dit zal nog veel groter worden eenmaal de uitsluitingen uit de werkloosheid werkelijkheid worden en de vele regeringsmaatregelen effectief doorgevoerd worden. Bovendien moeten we vaststellen dat bij de meerderheid van de mensen die vandaag van de werkloosheid bij het OCMW terecht komen, het om “definitieve” uitsluitingen gaat (53%).

De toename van dit aantal als gevolg van de degressiviteit en de strengere regels voor werklozen riskeert de toestand van de gemeentefinanciën verder te verslechteren. En die toestand is vandaag al niet bijzonder rooskleurig.

In de beleidsverklaring van de regering-Di Rupo stond hierover dat “de terugbetalingpercentages van het leefloon ten laste van de federale staat en ten gunste van de OCMW’s verhoogd zullen worden met een percentage dat het evenwaardig budget daarvoor vertegenwoordigt, en dat de begeleidingsmogelijkheden van de OCMW’s versterkt zullen worden”. Maar deze maatregel is nooit genomen! Vandaag staat hij dus opnieuw in het regeerakkoord. Zal hij deze keer wel uitgevoerd worden?

De welvaartsenveloppe financieren door belasting

“De welvaartsenveloppes 2015-2016, 2017-2018 en 2019-2020 zullen voor 100 % besteed worden. De regering zal dus de vermindering met 40 % van de enveloppes besloten door de vorige regering voor de periode 2013-2014 ongedaan maken. Dit zal gebeuren via de fiscale weg.” (p. 35)

Op budgettair vlak niet bijzonder vernieuwend. Hier is geen sprake van nieuwe recepten. Het is gewoon de toekenning van een reeds bestaande begrotingsenveloppe. Het optrekken van de uitkeringen tot de Europese armoededrempel zal worden gefinancierd met geld dat hiervoor al was voorzien. Het is uiteindelijk geen reële stijging (vooral omdat de regering, om die Europese drempel te halen, alle “voordelen” wil meetellen - zoals materiële hulp, tariefverminderingen voor sommige diensten enzovoort - die bepaalde categorieën krijgen).

Opgelet, deze “verhoging” zal gebeuren via fiscale weg. Concreet houdt dit in dat uitkeringstrekkers op het einde van het jaar een belastingkrediet zullen krijgen. Die fiscalisering stelt natuurlijk problemen omdat dit niet direct kan beschouwd worden als een inkomen of een recht, maar eerder als een “cadeau” van de regering. Het kan dus evengoed om een eenmalig cadeautje gaan. Een belastingkrediet niet hernieuwen ligt heel wat simpeler dan bijvoorbeeld een uitkering rechtstreeks verlagen. En dat is natuurlijk een politieke en ideologische zet. Het maakt van iets wat een recht is, een “cadeau”. Dat opnieuw afschaffen komt billijker over in de ogen van de publieke opinie. We kunnen er trouwens op gokken dat ze dit belastingkrediet vooral zullen toepassen op de laagste pensioenen, de enige armen die het echt “verdienen”.

Selectieve financiering van de organisaties voor armoedebestrijding

“De regering zal het subsidiebeleid herzien. Er wordt gestreefd naar meerjarige financiering van projecten, zodat begunstigden meer op langetermijndoelstellingen kunnen werken. Subsidies zullen worden toegekend op basis van een resultaatgerichte en responsabiliserende benadering om zo veel mogelijk mensen uit de armoede te halen.” (p. 36)

Opmerkelijk is dat de subsidies aan organisaties voor armoedebestrijding zullen worden herzien uitgaande van de doelstellingen voor activering en “responsabilisering”. Onnodig te zeggen dat dit het bestaan op de helling zet van verenigingen die deze criteria niet als de voornaamste pijlers voor hun werking zien…

Besnoeiingen in de sociale fondsen zoals het sociale energiefonds

Zo is er sprake van eventuele bezuinigingen bij de sociale fondsen. “De sociale energiefondsen (gas, elektriciteit en stookolie) worden geëvalueerd en, desgevallend, geherstructureerd of aangepast.” (p. 37)

Dit heeft onder meer betrekking op het sociaal Stookoliefonds voor een totaal bedrag van 9 miljoen euro.

Conclusie: verarming, meer onzekerheid, mensen tegen elkaar uitspelen

De maatregelen maken de armen armer en hun situatie nog onzekerder met maar één doel: hun concurrentie op de arbeidsmarkt keihard maken. Daarvoor moeten volgens de regering de sociale rechten die de basis uitmaken van onze sociale zekerheid, vernietigd worden. Daarvoor moeten we armoede opnieuw uitsluitend bekijken in individueel perspectief: dat van de “verantwoordelijkheid”. Op deze manier is de arme zelf verantwoordelijk voor zijn situatie. De arme moet “zichzelf in handen nemen” of anders riskeert hij sancties. Met andere woorden, hij moet om het even welke job aannemen voor om het even welk loon.

In die zin hebben al deze maatregelen ook de onverholen bedoeling tegemoet te komen aan de wens van de werkgevers om zoveel mogelijk mensen met elkaar te laten concurreren op de arbeidsmarkt en zo de lonen pijlsnel naar beneden te zien duiken. Het nog meer activeren van de mensen die vandaag van een uitkering leven en de verplichting voor OCMW’s om mensen die een uitkering krijgen, ook als werkzoekenden in te schrijven om recht te hebben op een leefloon, zal aanzienlijk meer concurrentie veroorzaken tussen de werkende mensen. Het patronaat wil absoluut het aantal personen op de arbeidsmarkt verhogen en een hoge werkloosheidsgraad in stand houden. Zo kunnen de lonen dalen en worden de banen meer precair. Er is in het regeerakkoord nergens sprake van het echt scheppen van nieuwe werkgelegenheid. Al die maatregelen van verscherpte controle en “responsabilisering” hebben als enig effect dat de armen nog armer worden, zodat ze op den duur om het even welke job voor om het even welk loon aannemen. Op die manier maakt de regering van armen/werklozen een enorm leger van reservearbeidskrachten, dat door zal wegen op de lonen en arbeidsvoorwaarden van álle werkende mensen.

Pensioenen en index: aanvallen die armoede zullen vergroten

Naast de aanvallen op de armen, gaat de regering-Michel-De Wever er ook voor zorgen dat het aantal armen in België zal stijgen.

Met de indexsprong verliest een gemiddeld koppel tweeverdieners per jaar bijna 1.500 euro. Na een loopbaan van 20 jaar kan dat bedrag oplopen tot meer dan 30.000 euro.

De pensioenhervorming kost een gepensioneerde per maand tussen de 83,2 en de 298,4 euro. En  dat terwijl nu al een op de vijf gepensioneerden onder de armoededrempel leeft.

Met deze maatregelen stort deze regering dus nog meer mensen in de armoede, en die mensen krijgen dan bovendien te maken met alle maatregelen hierboven beschreven.

Het alternatief van de PVDA: het Cactusplan

De PVDA verzet zich tegen de zienswijze van de regering-Michel-De Wever. Daarom stelde ze haar eigen alternatieve plan op: het Cactusplan, prikkels voor sociale, ecologische en democratische vernieuwing. Meer info op www.pvda.be/cactusplan.