(Foto Christopher Sessums / Flickr)

De pest en de cholera: waarom geen enkele asociale onderwijsbesparing aanvaarbaar is

auteur: 

Tino Delabie

Volgend jaar gaat de Vlaamse regering 193 miljoen euro besparen op onderwijs. Geen enkel onderwijsniveau ontsnapt aan de besparingen. Minister Crevits staat open voor “onderhandelingen”… op voorwaarde dat ze uitmonden op de besparingen die de Vlaamse regering voor ogen heeft.

Bij de vorming van de Vlaamse regering lag op 21 juli een begrotingstabel op tafel die in 2015 voor 108 miljoen euro besparingen op onderwijs voorzag. De krant De Morgen maakte op 9 augustus de grote lijnen ervan bekend en Solidair publiceerde de volledige besparingstabel. (zie artikel ‘Besparingen Bourgeois als donkere wolken boven eerste schooldag’ van 2 september)

Na de Septemberverklaring van minister-president Bourgeois op 22 september, blijkt dat de regering in 2015 geen 108 maar 193 miljoen wil besparen op onderwijs. Het hoger onderwijs krijgt de zwaarste klappen. Zo komt er onder andere een fikse verhoging van de inschrijvingsgelden, van 620 naar wellicht 950 euro. In het volwassenenonderwijs zal een cursist 1,50 euro in plaats van 1,15 euro per lesuur moeten betalen. In het DKO (deeltijds kunstonderwijs) zullen +18-jarigen 300 in plaats van 200 euro inschrijvingsgeld moeten dokken. In het basisonderwijs worden de werkingsmiddelen met 2 procent verlaagd, een inlevering van 11,4 miljoen euro in 2015. In het secundair onderwijs worden de werkingsmiddelen met 4,5 procent verminderd, goed voor een inlevering van 20,5 miljoen euro in 2015. In het secundair onderwijs moet ook 20 miljoen euro bespaard worden op de omkadering (lesuren). Daarnaast zijn er nog andere besparingen over de niveaus heen.

“Goede werking komt in het gedrang”

Met de werkingsmiddelen betalen scholen onder meer hun didactisch materiaal, computers, stoelen, banken, borden, verwarming, elektriciteit, de schoonmaak en het onderhoud van de gebouwen… In veel gevallen worden de werkingsmiddelen ook gebruikt om leningen voor renovaties of nieuwbouw af te betalen. Een inlevering van 4,5 procent op de werkingsmiddelen betekent voor een technische school met 500 leerlingen ongeveer 25.000 euro minder.

“Deze bijkomende besparingen, die bovenop de onvolledige indexering van deze middelen in de afgelopen jaren komt, heeft tot gevolg dat de goede werking van scholen ernstig in het gedrang komt”, zo zegt directeur-generaal Lieven Boeve van de katholieke onderwijskoepel VSKO. “Ook zullen scholen in de toekomst niet meer kunnen bouwen. Ze zullen bij bouwdossiers niet langer de nodige gelden hebben om het eigen aandeel te betalen.” (De Standaard, 24 september).Maar in plaats van in verzet te gaan tegen de regering vraagt het VSKO dat de inlevering ‘eenmalig’ zou zijn en stelt het voor om de maximumfactuur (het jaarlijks bedrag dat aan de ouders mag aangerekend worden buiten de kosten voor meerdaagse uitstappen) in het lager onderwijs op te trekken van 70 naar 90 euro.

Water in plaats van chocomelk

Raymonda Verdyck, afgevaardigd bestuurder van het gemeenschapsonderwijs (GO!), is daar principieel tegen gekant. “Veel ouders hebben nu al het lastig. We gaan het geld toch niet uit hun portemonnee halen?”

De Standaard (26 september) laat over de verhoging van de maximumfactuur twee directeurs aan het woord. Een directeur van een katholieke basisschool in Deurne-Noord is tegen: “Je schuift dit toch niet af op de ouders, en zeker niet de ouders met het profiel zoals wij ze hier hebben? Daarom ben ik tegen een hogere maximumfactuur. Zowat 15 procent heeft betalingsproblemen. Voor zowat 5 procent moeten we een oplossing zoeken. Dat kan een gespreide betaling zijn. Of we geven de kinderen water in plaats van chocolademelk, of sturen hen tussen de middag naar huis om te eten. Deurwaarders hebben we nog niet moeten inschakelen. Met ons publiek is een wafelbak geen alternatief om geld binnen te krijgen. We doen er één per jaar en die brengt amper 1.500 euro op. Dat werkt hier niet.”

De directeur van een basisschool in Wingene vindt dat de meeste ouders van zijn school een verhoging met 20 euro van de schoolfactuur aankunnen. Maar een vermindering van de werkingsmiddelen ziet ook hij niet zitten. “Op verwarming, schoonmaak of elektriciteit kan je niet besparen. Als we die rekeningen betalen, is het geld op. Dus moeten we op ons pedagogisch materiaal beknibbelen. Als we een nieuw handboek kopen, vragen we aan de uitgever dat we de betaling mogen spreiden over twee jaar. Wij kunnen ook geen gelijke tred houden met de digitalisering. Nieuwe pc’s? We moeten het redden met her en der bijeengezochte oude rommel.” (De Standaard, 26 september)

Opnieuw arbeidsduurverlenging?

Om in 2015 20 miljoen op de omkadering in het secundair onderwijs te besparen duikt het voorstel op om de leerkrachten in de tweede en de derde graad een lesuur per week extra te laten presteren voor hetzelfde loon: 22 lesuren (in plaats van 21) voor een regent (bachelor) en 21 uren (in plaats van 20) voor een licentiaat (master). Op die manier kan men 1.200 à 1.500 jobs schrappen.

In 2015 (september-december) zou deze maatregel 20 miljoen opbrengen en in 2016 60 miljoen. De top van het katholiek onderwijs stelt zelfs voor om alle licentiaten 22 lesuren te laten presteren (dan bespaart men 80 miljoen in plaats van 60 miljoen per jaar) en noemt dit een “historische kans” om alle leerkrachten van het secundair hetzelfde aantal lesuren te laten werken. De secretaris-generaal van de COC (Christelijke Onderwijscentrale), Jos Van der Hoeven, repliceerde hierop: “Je kan even goed zeggen: de opdrachten zijn verzwaard, bepaalde taken die vroeger werden bezoldigd, zijn dat nu niet meer. Men zou daarom het aantal lesuren in de eerste en tweede graad secundair onderwijs kunnen verlagen.” (De Standaard, 26 september)

Tot 1981 bevatte een fulltime opdracht voor een regent 20 lesuren en voor een licentiaat 19 lesuren. Bovendien waren er toen bonusuren voor de klastitularissen, voor de wekelijkse klassenraad, voor personeelsleden die in meerdere scholen stonden, voor de leerkracht moedertaal (veel verbeterwerk). De regering Martens-Gol (CVP-PVV) maakte komaf met alle bonusuren en bracht het aantal lesuren voor een licentiaat op 20 uren en, een jaar later, voor een regent op 21 uren. De onderwijssector is daarmee een van de weinige sectoren waar men arbeidsduurverlenging met loonbehoud invoerde. En vandaag zou men deze operatie nog eens willen overdoen? Er is nochtans niemand die ontkent dat de job van leerkracht in het secundair onderwijs zwaarder uitvalt dan in 1981.

37 à 48 uur werken

Er zijn demagogen die het voorstellen alsof een leraar slechts 20 lesuren van 50 minuten per week werkt. Alle ernstige onderzoeken wijzen uit dat de gemiddelde Vlaamse leerkracht 37 (Talis-studie van de OESO) à 48 uren (Bregt Henkens, coördinator van het Academisch Vormingscentrum voor Leraren, KU Leuven) van 60 minuten per week werkt voor de school.

Natuurlijk zijn er verschillen tussen een startende leraar en een ervaren rot in het vak, tussen wie een nieuw vak moet geven en iemand die al vijf jaar ongeveer dezelfde lessen voorbereidt, tussen wie in één school of op drie scholen staat, enzoverder. En natuurlijk kent de gemiddelde leerkracht meer vakantiedagen dan de meeste werknemers en loopt hij minder risico op een zwaar arbeidsongeval of fysieke uitputting dan een dokwerker of bouwvakker.

Een derde van de beginnende leerkrachten in het secundair onderwijs verlaat binnen de vijf jaar de sector. Het ontbreekt niet aan commissies en rapporten over de te hoge werkdruk en planlast. Nog onder de vorige minister Pascal Smet spiegelde men de jonge leerkrachten voor dat ze beter zouden worden begeleid en in het begin minder lesuren zouden moeten presteren. De oudere leerkrachten, die men steeds langer aan het werk wil houden, spiegelde men voor dat ze minder lesuren zouden moeten presteren.

De lerarenloopbaan weer aantrekkelijker maken?

Tijdens de verkiezingscampagne wedijverden de politieke partijen, de N-VA op kop, in vleierij en valse beloften over een verlaging van de werkdruk. In het Vlaams regeerakkoord schreven N-VA, CD&V en Open Vld: “Wij sluiten een pact met de vakorganisaties en de onderwijsverstrekkers om de lerarenloopbaan weer aantrekkelijker te maken en het behoud van mensen in het beroep te verhogen. In het bijzonder hebben we aandacht voor de werving van leraren, de aanvangsbegeleiding, taakbelasting en werkzekerheid van startende leraren en de professionalisering in het algemeen.”

Werkzekerheid voor jonge leerkrachten? Door 1.200 à 1.500 jobs te schrappen? Nee! Wij verkiezen de herinvoering van de vervangingspool die aan elkeen met een leraarsdiploma voor minstens een volledig schooljaar job- en inkomenszekerheid biedt.

Aanvangsbegeleiding voor jonge leerkrachten? Met een extra lesuur? Nee! Wij verkiezen de herinvoering van de mentoruren waarbij ervaren collega’s de startende leerkrachten die het wensen, begeleiden.

De lerarenloopbaan aantrekkelijker maken? Door de arbeidstijd met 5 procent te verhogen? Door de lonen te verminderen via een indexsprong? Door de pensioenleeftijd steeds verder te verschuiven en het lerarenpensioen met minstens 200 euro per maand te verminderen? (zie artikel ‘Gaan federale onderhandelaars leerkrachten 200 euro pensioen afpakken?’ van 17 september 2014)  

Het zijn deze maatregelen die de Vlaamse en de federale regering van N-VA, CD&V en Open Vld in petto hebben voor de leerkrachten.

En het is tegen dit geheel van asociale maatregelen dat de leerkrachten en de onderwijsvakbonden, samen met de studenten, in het verzet zullen gaan.