(Foto Solidair, Martine Raeymaekers)

De rijken verstoppen zich in de leemtes van de Belgische statistieken

PVDA-Kamerlid Marco Van Hees.

Is er nog een econoom te vinden die het zou durven ontkennen: de kloof tussen rijk en arm wordt in alle westerse landen al verschillende tientallen jaren steeds dieper. Thomas Piketty heeft het nog eens goed uit de doeken gedaan in zijn magistrale boek Kapitaal in de eenentwintigste eeuw. Wat België onderscheidt in deze internationale tendens – wat het werk van de Franse econoom niet vermeldt – is minder de evolutie van de rijkdom dan wel het armoedige van de statistieken.

De Standaard wijdde onlangs een interessant dossier aan de kwestie van de toenemende ongelijkheid. En ook daar stellen we de vast hoe pover het gesteld is met de statistieken in ons platte landje. Want om de verdeling van de rijkdom te meten, beschikken we over weinig anders dan de aangifte van de personenbelasting. En zelfs daar zijn er drie elementen die gegevens ernstig vervuilen.

1. De statistieken op basis van de belastingaangifte houden enkel rekening met de inkomsten die... aangegeven zijn. Studies over de (ruime) omvang van de fiscale fraude in België spreken over een jaarlijks tekort aan inkomsten van 20 tot 30 miljard euro voor de staat. Dat bedrag stemt overeen met de belastingontduiking. Het bedrag van de niet aangegeven inkomsten ligt dus nog veel hoger. 

De impact op de verdeling van de rijkdom is verre van verwaarloosbaar, want de winsten uit fraude zijn op hun beurt zeer ongelijk verdeeld. Professor Max Frank (ULB) toonde destijds aan dat de 10% minst rijken van de bevolking amper 0,10% krijgen van de opbrengst uit fraude, terwijl de 10% rijksten er 57% van in de wacht slepen. Die gegevens zijn nooit geactualiseerd (nog een statistische leemte), maar het valt te betwijfelen of deze tendens sterk zou veranderd zijn.

2. Naast de fraude zijn er de inkomens, die wettelijk niet helemaal – of helemaal niet – moeten worden aangegeven. Dat geldt voor onroerende inkomsten, waar men een theoretisch bedrag aangeeft (het kadastraal inkomen), dat ver beneden de realiteit ligt. Dat geldt vooral bij financiële inkomsten, waarvan de meeste niet vermeld worden in de aangifte, hetzij omdat ze genieten van een bevrijdende voorheffing, hetzij omdat ze helemaal niet belastbaar zijn, zoals de meerwaarde op aandelen.

Per slot van rekening is de verdeling van de inkomsten die voortkomen uit de belastingaangifte vooral die van de beroepsinkomsten. Maar bij de (zeer) rijken, wegen de financiële inkomsten zwaar door.

3. Een van de belangrijke vaststellingen van Piketty is dat er in de Europese landen een ongelijkheid bestaat die gevoelig groter is dan die van de inkomens: de ongelijkheid in het vermogen. In België echter bestaat er geen enkele officiële statistiek over de verdeling van de vermogens. De enige beschikbare schattingen zijn ofwel gebaseerd op macro-economische berekeningen (werk van de ULB en de VUB, en de laatste dateren van 1999), ofwel gebaseerd op enquêtes (Europese centrale bank, Universiteit Antwerpen of nog diverse vermogensbeheerders), waarvan geweten is dat ze de neiging hebben om het deel van de zeer gefortuneerde families te onderschatten

We mogen dus zeggen dat in België de rijken zich verstoppen in de leemtes van de statistieken. Want de herverdeling van de rijkdom via belastingen of de Gini-coëfficiënt (die het niveau van (on)gelijkheid berekent, en voor ons land eerder flatterend is) toont vooral de verdeling tussen armen en minder armen. Maar dankzij een reeks instrumenten, legaal of minder legaal, nemen de 2 à 3% rijken geen deel aan die herverdeling. Of anders, als begunstigden...

Om een echt democratisch debat te voeren over budgettaire alternatieven, vooral in de huidige moeilijke financiële context, en om al was het maar te kunnen discussiëren over een hogere deelname van de meest vermogenden, is het noodzakelijk te sleutelen aan  de occulte macht van de statistische leegte. En het beste middel daartoe is een vermogenskadaster.

Waarom bestaat er een vastgoedkadaster (het vermogen van de eenvoudige werkmens), maar geen vermogenskadaster? Waarom bestaat er een repertorium van voertuigen, maar niet van juwelen en kunstwerken? Waarom bestaan er fiches 281 voor de beroepsinkomsten, maar niet voor de financiële inkomsten? Waarom is de pseudo-opheffing van het bankgeheim zo schoorvoetend, terwijl zij die van het OCMW trekken geen recht hebben op het minste sprankeltje privacy. 

En ten slotte, waarom is het enige echte kadaster van de vermogens in ons land in handen van organisaties die een centrale rol spelen in de meeste grote fraudezaken: de banken?

Marco Van Hees
Federaal volksvertegenwoordiger PTB-PVDA
marco.vanhees@ptb.be