Defensie en Buitenlandse Zaken onder de loep: over (geen) geld voor het Zuiden, kaki op straat, en de waanzin van nieuwe gevechtsvliegtuigen

Het deel van het regeerakkoord over Defensie en Buitenlandse Zaken wordt gekenmerkt door een reeks maatregelen die onze toekomst dreigen te hypothekeren. Op het vlak van Defensie volgt de regering de budgettaire en militaire dictaten van de NAVO, die voor een groot deel bestaan uit investeringen. Op het vlak van buitenlandse handel zien we belangrijke engagementen in het kader van het vrijhandelsakkoord met de Verenigde Staten (het TTIP), die eveneens te maken hebben met de militaire alliantie. Op het vlak van ontwikkelingssamenwerking daarentegen wordt fors gehakt in de uitgaven. Tegelijk zien we hoe de regering gebruik wil maken van ontwikkelingssamenwerking, niet voor de ontwikkeling van de derdewereldlanden, maar voor de ontwikkeling van de economische en politieke doelen van het establishment.

1. Onderworpen aan de budgettaire en militaire NAVO-dictaten

In het defensiegedeelte van het regeerakkoord merken we bovenal een verschuiving naar een zeer offensieve en Atlantische houding van het Belgische buitenlandbeleid. De militaire alliantie van de NAVO lijkt belangrijker te worden dan het multilateralisme van de Verenigde Naties (VN) en dat is een erg verontrustende evolutie.

Als het op onze deelname aan VN-missies aankomt – onder andere vredehandhaving – voorziet het akkoord enkel het strikt noodzakelijke. Zo wil de regering een einde maken aan de ontmijningsmissie in Libanon, terwijl de doelstellingen voor mijnen en clustermunitie hoogstwaarschijnlijk niet gehaald zullen worden. Ook wil ze “enkel bijdragen aan VN-blauwhelmoperaties indien we een missie kunnen ondersteunen met specifieke capaciteiten waarin de VN met tekorten kampt”. Maar als het gaat over de offensieve militaire NAVO-alliantie en het inzetten van troepen buiten de EU, de European Union Battle Group, dan horen we een ander geluid. Op het vlak van de NAVO wil de regering “dat de NAVO blijft inspelen op nieuwe uitdagingen”. Andere missies, zoals die in Afghanistan, zouden blijven doorlopen.

De NAVO, waarvan de missie ooit als “defensief” omschreven werd, heeft nu al een bijzonder offensieve agenda. Die moet toelaten om, van Colombia tot de Filipijnen, op te treden daar waar de exportmarkten en de toevoer van grondstoffen bedreigd worden. Daarom wil de NAVO nu reeds de defensie-uitgaven voor de lidstaten op 2% van het bruto binnenlands product (bbp) brengen. Voor België zou dit een stijging van 2,7 miljard euro per jaar kunnen betekenen.

Militaire begrotingsengagementen die de volgende generaties zullen verstikken

Hoewel volgens de huidige begroting ook op Defensie bezuinigd moet worden, blijft het regeerakkoord die budgetten trouw verhogen: er “is een belangrijk luik investeringen in de toekomst nodig, zowel op het vlak van grond-, lucht- als marine-component-materieel. Hiervoor zullen dus belangrijke investeringsbudgetten moeten worden voorzien door de regering”, en “De regering zal een beslissing nemen die België toelaat op lange termijn een capaciteit jachtvliegtuigen te behouden in het licht van de aangekondigde vervanging van de huidige F-16 en zal een strategische oriëntatie bepalen voor de opvolging van onze M-fregatten, mijnenjagers en andere wapensystemen zoals de drones en het belangrijke materieel van de landmacht.”

Aan de ene kant zijn die investeringen een “logisch” gevolg van de keuze voor een offensief leger in dienst van de NAVO. (Het is niet verwonderlijk dat de minister verklaarde dat het de belangrijkste taak van het leger blijft om deel te nemen aan buitenlandse missies.) Anderzijds rechtvaardigt de regering die investeringen door te wijzen op besparingen die de voorbije jaren bij Defensie gebeurd zijn. De officiële cijfers van de NAVO relativeren die besparingen echter. In 2009 maakten de uitgaven voor defensie (inclusief onderzoek en ontwikkeling en dergelijke) 1,2% van het bbp uit. In 2013 was dat nog slechts 1,0%. Tussen 2005 en 2013 varieerden de uitgaven van defensie van 3,400 à 4,048 miljard (2009) tot 3,964 miljard (2013). De defensie-uitgaven per inwoner zijn tussen 2005 en 2012 gedaald van 431 dollar naar 399 dollar. Wel zeventien NAVO-leden geven nu per inwoner minder geld uit aan uitgaven voor defensie. Op militair vlak plaatst België zich altijd tussen de middelgrote landen, terwijl het eigenlijk toch een heel klein landje is.

Die engagementen zijn een echte tijdbom en verkleinen de manoeuvreerruimte van toekomstige regeringen. Deze “investeringen” zijn eigenlijk gewoon uitgaven. Ze worden vandaag gemaakt, maar het zijn de volgende regeringen die ze zullen moeten betalen. In het licht van het nodige budgettaire evenwicht zullen die dan moeten besparen op andere investeringen, bijvoorbeeld bij de sociale diensten.

Geen geld voor onderwijs, maar wel voor F-35’s

Het dossier over de vervanging van de F-16’s lijkt helaas perfect aan te tonen hoe België volledig onderworpen is aan de militaire en budgettaire keuzes van de NAVO. Als vervanger van de F-16 zal waarschijnlijk gekozen worden voor de F-35. België zou een 40-tal toestellen aankopen. Het prijskaartje van deze keuze is aanzienlijk. Sommigen houden het bij een kostprijs van iets meer dan 60 miljoen per toestel, maar ondertussen zouden de productiekosten per vliegtuig al opgelopen zijn tot 125 miljoen euro. Stel dus maar dat de F-35 ons land zes miljard zou kosten (40 vliegtuigen aan 150 miljoen). Kevin Page, een voormalig begrotingsambtenaar van het Canadese parlement, berekende dat de kost van één F-35 – onderhoudskost inbegrepen – boven de 300 miljoen euro uitkomt. Het is duidelijk: één enkel gevechtsvliegtuig minder en we moeten helemaal niet besparen op onderwijs.

Vanuit militair perspectief is de F-35, een gevechtsvliegtuig van de vijfde generatie, helemaal niet nodig voor de Belgische Defensie. Voor de verdediging van ons luchtruim, omringd door bondgenoten, volstaan toestellen van de vierde generatie ruimschoots. Wat de F-35 fundamenteel onderscheidt van andere alternatieven is zijn capaciteit om kernwapens te transporteren. Het is geen toeval dat het regeerakkoord het non-proliferatieverdrag en het Strategisch Concept van de NAVO (dat van kernwapens een fundamenteel deel van onze “defensie” maakt) op dezelfde lijn plaatst. De onderwerping van België aan de NAVO heeft dus ook een nucleaire dimensie. De zin “Op gebied van nucleaire ontwapening en non-proliferatie kiezen we voor een realistische en pragmatische aanpak van het VN-verdrag inzake nucleaire non-proliferatie en het zgn. strategische concept van de NAVO als eerste leidraden” is op zich al contradictorisch. Het non-proliferatieverdrag eist dat landen die over kernwapens beschikken, hun voorraden afbouwen. In het Strategisch Concept van de NAVO vormen deze wapens een pijler van de defensiestrategie. Gezien de teneur van dit akkoord is het duidelijk de bedoeling van de regering om net het Strategisch Concept en niet het non-proliferatieverdrag als leidraad te nemen. Van het weghalen van de Amerikaanse kernwapens uit de basis van Kleine Brogel, lijkt geen sprake te zijn. Het strategische plan dat binnen zes maanden voorgesteld wordt, zal die keuze waarschijnlijk in de praktijk omzetten.

Oorlog in het buitenland, militarisering in het binnenland

Daarenboven zal de regering steun geven aan de uitbouw van een militair-industrieel complex. Men voorziet steun aan bedrijven uit de militaire sector gekaderd in een militaire programmawet die over tien jaar loopt. Verder worden ook bepaalde activiteiten van het leger uitbesteed aan de privésector (lees: geprivatiseerd). Naast de militarisering van de economie wordt ook de Belgische maatschappij verder gemilitariseerd. Enerzijds zal het leger kunnen ingezet worden bij binnenlandse bewakingsopdrachten en de militaire politie zou nu zelfs meer “verkeersovertredingen” gaan aanpakken. Anderzijds leest het akkoord: “De communicatie tussen Defensie en de bevolking is essentieel voor de rekrutering, het maatschappelijk draagvlak en het imago van het leger. Defensie zal meer aandacht besteden aan haar communicatie, onder andere inzake sociale media.” Met andere woorden: meer aandacht voor oorlogspropaganda op sociale media. Oorlog is nog niet sexy genoeg. Onze jongeren moeten warm gemaakt worden voor oorlog.

Oorlog in het buitenland, militarisering in het binnenland. Een onaanvaardbare keuze. Er bestaat nochtans een alternatief. Inzake buitenlands beleid moet België een eigen vredesvisie en vredesstrategie ontwikkelen. In plaats van deelname aan militaire interventies kunnen we ons bijvoorbeeld specialiseren in vredes- en ontwapeningsinitiatieven, zoals we al deden in verband met de uranium- en clustermunitie en met ontmijningsopdrachten. Andere kleine landen zoals Zwitserland doen dat ook, als bemiddelaar in conflicten of met internationale humanitaire hulp. En met het bespaarde geld kunnen we in het binnenland pensioenen, lonen en onderwijs financieren.

2. Met het TTIP naar een onrechtvaardige wereldhandel

Het deel van het regeerakkoord dat over handel spreekt, illustreert hoe de regering naar de pijpen van de multinationals danst en tegen de belangen van haar eigen bevolking en de bevolkingen van ontwikkelingslanden ingaat. Het was bijzonder frappant hoe de regeringsonderhandelaars alles in het werk stelden om vrijhandel en het trans-Atlantische Verdrag (TTIP) te verdedigen. Zowel in België als op internationaal vlak heeft het maatschappelijk middenveld nochtans gewaarschuwd tegen de nefaste gevolgen van dit verdrag, zowel voor de voedselveiligheid, de gezondheidszorg, de overheidsdiensten, de cultuur als – via onder andere de mechanismen voor geschillenregeling tussen de Verenigde Staten en de investeerders – voor de democratie zelf.

Naar een economische NAVO

Maar de regering maakt zich geen zorgen over die risico’s. Voor haar loopt het TTIP parallel met de NAVO, in een grote trans-Atlantische droom: “De trans-Atlantische samenwerking, die gebaseerd is op gemeenschappelijke waarden en belangen, heeft een sterk potentieel dat zo goed mogelijk moet worden gebruikt, vooral op gebied van internationale veiligheid – in het kader van de NAVO – en internationale handel – in het kader van een omvattend handels- en investeringsakkoord tussen de EU en de VS.” Het latere voorstel “waarbij een transparant proces wordt verzekerd en een bepaald aantal belangrijke sociale en culturele belangen evenals de voedselveiligheid worden gevrijwaard” blijkt niet veel meer dan een vijgenblad te zijn.

Maar het TTIP is ook een oorlogsverklaring op wereldniveau aan elke vorm van rechtvaardige handel. De zogeheten “Doha-agenda” voor wereldwijde liberalisering is afgesprongen door de hevige weerstand van de landen uit het Zuiden. Daarom wil de NAVO nu een “economische NAVO” creëren zodat het op wereldschaal voorwaarden kan opleggen ten voordele van het Europees-Amerikaanse patronaat. Op die manier zorgt het TTIP ervoor dat elke kans op rechtvaardige handel bij voorbaat gedoemd is te mislukken. Het verdrag is een regelrechte aanslag op de ontwikkeling en de soevereiniteit van de ontwikkelingslanden, die tot in het oneindige de economische overheersing van het Westen zouden moeten verdragen.

Een vrijhandelsdoctrine opgelegd aan de ontwikkelingslanden

Het hele regeerakkoord is doordrongen van deze doctrine van vrijhandel en van het stimuleren van investeringen ten gunste van multinationals. De regering belooft zelfs alles in het werk te stellen om de lopende onderhandelingen over de bilaterale investeringsakkoorden, die op dit ogenblik nochtans geblokkeerd zijn, af te werken en te bekrachtigen. Dat veel van die akkoorden, zoals bijvoorbeeld dat met Colombia, geblokkeerd zijn wegens hun potentiële negatieve invloed op de mensenrechten, laat de regering koud. De intentie om het vrijhandelsakkoord met Peru en Colombia te bevestigen, toont een diep misprijzen voor de sociale strijd en de mensenrechten in die landen. Dankzij de vrijhandel krijgen de multinationals vrije toegang op de markten, overheidsdiensten en natuurlijke hulpbronnen van het Zuiden. Vaak gaat dit ten koste van de plaatselijke economie en de kleine lokale producenten. De vrijhandelsovereenkomst tussen de Verenigde Staten en Mexico bracht de Mexicaanse en Amerikaanse werkende bevolking in rechtstreekse concurrentie met elkaar. Het gevolg daarvan was een verlaging van de lonen, een verslechtering van de werkomstandigheden en een verhoging van de precaire arbeid. De vrijhandelsakkoorden met Centraal-Amerika, Colombia en Peru volgen dezelfde logica.

Logisch dus dat vanaf dan verscheidene kansen om voorzichtig te beginnen denken aan een meer rechtvaardige wereldhandel op een sisser zijn afgelopen. De regering belooft om er op Europees niveau voor te pleiten de fundamentele rechten op het werk en de internationale milieunormen te respecteren en in te bouwen in het mandaat van de Europese Commissie bij de onderhandeling van investeringsovereenkomsten en vrijhandelsakkoorden. Dit geldt ook voor het specifieke geval van de ontwikkelingssamenwerking. Maar het is in geen geval duidelijk over welke normen het dan gaat en aan wie ze zullen opgelegd worden. Trouwens, de regering benadrukt de sociale verantwoordelijkheid van de bedrijven, die enkel niet-bindend engagement inhoudt. Het lijkt bovendien alsof het regeerakkoord de multinationals wil geruststellen: ze hoeven geen dwingend wetgevend kader te vrezen. Er is geen enkele reële ambitie om de voorzichtige richtlijnen van de OESO voor multinationals of de principes van de VN op het vlak van bedrijven en mensenrechten bindend te maken, noch om in België gevestigde bedrijven te dwingen de Agenda voor Waardig Werk van de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) te respecteren.

Het is dus bijna een open uitnodiging om die sociale normen die in de mandaten van de onderhandelingen voor vrijhandelsakkoorden staan, ad hoc te gebruiken als protectionistische maatregelen tegen de ontwikkelingslanden. Wanneer je in bepaalde sectoren normen gaat opleggen die op maat gemaakt zijn voor onze bedrijven, of met andere woorden: normen die enkel “onze” bedrijven kunnen behalen, dan loop je het gevaar de ontwikkeling van een plaatselijke economie in het Zuiden te ondermijnen. In bepaalde strategische sectoren zullen we aan ontwikkelingslanden en hun bedrijven normen “op maat” opleggen voordat we ze op de Europese markten zullen toelaten. Maar tegelijk zullen we wel eisen dat die landen intussen hun eigen markten wel openstellen voor onze "goede" producten.
 

3. Een egocentrische ontwikkelingssamenwerking

Het regeerakkoord windt er geen doekjes om: de Belgische ontwikkelingssamenwerking riskeert nog verder te worden ingezet voor andere doeleinden. Hier geven we drie elementen van hoe dat gebeurt.

Ingezet ten dienste van “onze” rijken

Ten eerste wordt ontwikkelingssamenwerking ingezet in dienst van “onze” rijken. De regering doet wel alsof ze de autonomie van de niet-gouvernementele ontwikkelingsorganisaties respecteert, maar dringt er intussen wel op aan dat: “De sectoren waarop we willen focussen in onze partnerlanden hangen in grote mate af van de lokale toestand en van de toegevoegde waarde die we kunnen aanbieden o.a. voor onze bedrijven, experten en universiteiten.” De passage over de “stimulering van de privésector, motor van economische groei, vooral door de verbetering van het investeringsklimaat in de partnerlanden” lijkt daarom eerder het gebruik van ontwikkelingsgeld te zien als een manier om een vruchtbare voedingsbodem te kweken in het belang van de Belgische bedrijven. Dergelijke ontwikkelingssamenwerking zou perfect verenigbaar zijn met ons handels- en investeringsbeleid, maar perfect onverenigbaar met de behoefte aan een duurzame ontwikkeling op wereldvlak.

Redenen genoeg voor de ontwikkelingssamenwerking en ngo’s om te vrezen dat hun werk voor andere doeleinden zal worden ingezet. Ze zullen hun werk niet langer in het belang van het ontwikkelingsland moeten doen, maar in het belang van “onze” bedrijven of regering. In deze context lijkt de vermelding van een interdepartementale synergie tussen Buitenlandse Zaken, Defensie en de Ontwikkelingssamenwerking wel erg verontrustend, onder andere voor Centraal-Afrika.

Ontwikkelingshulp gebruikt voor andere doelstellingen

Een tweede punt waarop steun aan ontwikkelingslanden voor andere doeleinden zal worden ingezet, betreft de migratiekwestie. Met het regeerakkoord benadrukt de regering haar voornemen zich te focussen op landen die “een impact hebben op de migratiestromen naar ons land, zoals o.a. de regio's van de Grote Meren en Noord-Afrika” en ze wenst “via ontwikkelingssamenwerking, aandacht voor vrede en stabiliteit, veiligheid (terrorismebestrijding), migratie en klimaatbeleid”. Bovendien plant de regering budgettaire hulp aan ontwikkelingslanden te koppelen aan de inspanningen van die landen en de resultaten die ze bereiken in de strijd tegen corruptie, het respect voor de mensenrechten en een goed beheer en samenwerking op het gebied van justitie en migratie. Met andere woorden: de regering beoogt enkel nog budgettaire steun te geven aan landen die zich willen inzetten om potentiële vluchtelingen en emigranten in het Zuiden te houden. Het geld is dus niet langer in de eerste plaats bestemd voor de bestrijding van ongelijkheid of armoede. Ontwikkelingslanden kunnen “beloond” worden als ze de armen die naar Europa willen trekken, tegenhouden of vastzetten. Hieruit kan je toch enkel afleiden dat de ontwikkelingslanden aangemoedigd worden minder te investeren in sociale doelen en menselijke ontwikkeling dan in prikkeldraad of detentiecentra? Hierdoor lopen we niet alleen het gevaar dat de onderontwikkeling groeit, maar zoals we in het verleden ook al hebben gezien, kan deze manier van werken ernstige schendingen van de mensenrechten met zich meebrengen.

Ten derde, en dit in tegenstelling met wat Charles Michel in 2009 beloofde, kondigt de regering aan dat een deel van de ontwikkelingshulp naar andere doeleinden zal gaan: “De federale overheid zal via haar ontwikkelingssamenwerking verder een bijdrage leveren tot een internationale klimaatfinanciering.”

Daarnaast – en in het verlengde van de praktijken van de vorige regering – toont het regeerakkoord ook dat het in de budgetten wil snoeien. De vorige regering had beloofd de budgetten voor ontwikkelingshulp te bevriezen, maar heeft er in de praktijk toch fors de bijl in gezet. In 2013 zagen we een daling van 6,1% (totaal van 1,73 miljard euro, 0,45% van het bruto nationaal inkomen, bni). Op twee jaar tijd (2012-2013 ) werd 687 miljoen euro bespaard. In verhouding met 2010, toen België nog aan 0,64% van zijn bni zat, spreken we over een daling van zo'n 30%. België ging toen al tegen de stroom in vergeleken met bijvoorbeeld het Verenigd Koninkrijk, waar het ontwikkelingsbudget de laatste jaren zelfs nog is gestegen. Of vergelijk ons met Zweden, dat 1,02% van zijn bni aan ontwikkelingssamenwerking besteedt. Het is dus nonsens om, zoals het huidige akkoord doet, te beweren ervoor te willen zorgen dat het budget voor ontwikkelingssamenwerking naar 0,7% van het bbp stijgt en tegelijk besparingen aan te kondigen.

Volgens de minister voor Ontwikkelingssamenwerking moet er van 150 miljoen euro in 2015 tot 279 miljoen euro in 2019 worden bezuinigd. Dit komt neer op een miljard euro in een periode van vijf jaar. Die inkrimping van het budget zal eerst zichtbaar worden in het aantal landen dat ontwikkelingshulp krijgt van de regering. Dit wordt teruggebracht van achttien naar vijftien landen, wat hoogstwaarschijnlijk betekent dat drie landen uit Latijns-Amerika uit de boot zullen vallen. In de tweede plaats bevestigt de regering ook haar intentie om het aantal ngo’s te verminderen. Die organisaties spelen nochtans een belangrijke rol in de Belgische ontwikkelingssamenwerking. De regering wil zo de “kwaliteitseisen” voor de medewerkers van de niet-gouvernementele ontwikkelingssamenwerking strenger maken. Ook wil ze zo het aantal organisaties die door de sector zijn erkend, verminderen.

Daarnaast verkondigt het regeerakkoord ook dat het aantal multilaterale partnerorganisaties van 20 naar 15 zal terugbrengen. Het gaat hier dan over ontwikkelingsorganisaties zoals de Wereldgezondheidsorganisatie, ONUSIDA/UNAIDS, de VN-vluchtelingenorganisatie (UNHCR), het Ontwikkelingsprogramma van de Verenigde Naties, het Internationale Rode Kruis, UNICEF, de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) of de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO). En dit op een ogenblik dat internationale epidemieën als ebola ons net het belang aantonen van deze instellingen. Zij zijn het die dergelijke crisissituaties kunnen opvangen en coördineren. Alleen met een internationaal beleid kunnen grensoverschrijdende epidemieën zoals ebola efficiënt bestreden worden. Het is dan ook daarom dat we internationale organisaties nodig hebben die de preventie en aanpak van zulke rampen kunnen coördineren. Het verminderen van onze steun aan dit soort organisaties heeft dus ook het effect van een tijdbom.