Justitie onder de loep: over Big Brother, blauw op straat en onrecht in de rechtbank

Dat deze regering er een is voor de rijken druipt van elke zin van deze regeringsverklaring, ook op het vlak van justitie en politie. Voor de gewone man is er meer controle, meer repressie en moeilijker toegang tot het gerecht, terwijl de rijken kunnen rekenen op begrip en zelfs laksheid.

In deze regering-Michel-De Wever krijgt de minister van Binnenlandse Zaken, N-VA’er Jambon een nooit geziene macht. Het is duidelijk dat de regering zich opmaakt voor een scherpe reactie tegen haar maatregelen, die de economische en sociale rechten van brede lagen van de bevolking aantasten. Een overzicht.

1. Justitie

Toegang tot justitie: hogere drempels voor de gewone mens

Justitie beroert vele burgers. Het rechtssysteem raakt aan de gevoelens van rechtvaardigheid en billijkheid. De regeringsverklaring staat vol mooie woorden over ‘justitie is er voor iedereen’ en ‘de sociale dimensie is cruciaal’. Maar na het lezen van de echte maatregelen komen we tot andere besluiten.

Er zouden te veel mensen naar de rechter stappen en dat ondermijnt ons rechtssysteem. Met argumenten als ‘rechtspraak is een kostbaar goed’, en de strijd tegen ‘overconsumptie’ (p. 79) wordt het gerecht voor de gewone burger nog ontoegankelijker gemaakt dan het nu al is. 

De begrotingspost rechtsbijstand (p. 79), waar minder begoede mensen kunnen van genieten om zich door een advocaat te laten vertegenwoordigen, moet naar omlaag. Mensen met een laag inkomen (max. 944 euro voor een alleenstaande) kunnen voor een uitvoerig juridisch advies of rechtsbijstand een beroep doen op een gratis of pro-Deoadvocaat. Volgens de regering wemelt het daarbij van misbruiken. De oplossing:  verstrenging en aanpak van die ‘misbruiken’. Zo wordt het randfenomeen van de misbruiken tot hot item verheven.

Maar de regering gaat totaal voorbij aan de kern van het probleem: de al jaren aanslepende onderfinanciering van het pro-Deosysteem. In plaats van dit aan te pakken, wordt het vizier gericht op de pro-Deoklanten en hun advocaten. De frontale aanval op het pro-Deosysteem, die reeds door de vorige regering-Di Rupo met minister Turtelboom was opgestart, gaat verder. Er komt ook een remgeld “waarbij een deel van de kost van de juridische tweedelijnsbijstand op de rechtzoekende zal verhaald worden” (p. 80). Het afschaffen van “het onweerlegbaar vermoeden van behoeftigheid” betekent dat alle inkomsten in aanmerking genomen worden om recht te hebben op rechtsbijstand (mensen zullen moeten bewijzen dat ze bv geen spaargeld hebben…). De rolrechten en griffierechten gaan omhoog[1] (p. 80).  Als die niet wordt betaald, dan is de kans groot dat de zaak niet in behandeling wordt genomen. In 2012 verhoogde de regering-Di Rupo deze kosten al.

De regering wil daarentegen een rechtsbijstandsverzekering promoten (p. 80). In plaats van het grondwettelijk recht op juridische bijstand te garanderen drijft deze regering de mensen naar de privéverzekering om zo de financiële tussenkomst van de staat te kunnen beperken tot een vastgelegde enveloppe. Wie zal dat kunnen betalen? 

De eisen die de beweging voor een betere rechtsbijstand gesteld heeft, worden volledig genegeerd.

Een volwaardige financiering van het pro-Deosysteem is nodig en op de eerste plaats een drastische verhoging van het budget.

Strafbeleid harde aanpak, maar niet voor financiële criminaliteit en grote fraude

Het hoofdstuk strafrechtelijk beleid heeft als uitgangspunt dat het ‘onaanvaardbaar is in een moderne democratische samenleving’ dat er een ‘gevoel van straffeloosheid’ is bij de daders en een ‘gevoel van onrechtvaardigheid en onveiligheid’ bij de slachtoffers (p. 82). Dat is zo. Maar dat geldt duidelijk niet voor het rijk volk. De fel gecontesteerde afkoopwet, waardoor vooral financiële criminelen en fraudeurs mits betaling hun vervolging kunnen afkopen, blijft gehandhaafd. Voor die categorie geldt geen hardere aanpak. De regering zal “de diensten betrokken bij de bestrijding van financiële en economische criminaliteit versterken”. Maar daar verwacht ze niet al te veel van, want ze voorziet nu al dat de strijd tegen de fiscale fraude maar een vijfde zal opleveren van het bedrag dat dit jaar is opgehaald.

De regering wil de verjaringstermijn voor misdaden die kunnen bestraft worden, met levenslange gevangenisstraf en die in bende zijn gepleegd op 20 jaar brengen. Als argument wordt de mogelijke verjaring van het dossier van de Bende van Nijvel gegeven. Ook voor zware gewelddaden tegen minderjarigen wordt de verjaringstermijn opgetrokken tot 20 jaar.

Op zich is er niets tegen een lange verjaringstermijn voor zeer zware misdaden. Nog maar enkele jaren geleden werden de verjaringstermijnen voor die twee misdrijven al drastisch verhoogd. Maar de belangrijkste verjaringen hadden de laatste jaren plaats in zaken van financiële misdrijven, precies omdat het onderzoek, bewust of onbewust, veel te lang aansleepte. Daar worden de verjaringstermijnen niet verlengd.

Ook de invoering van de ‘beveiligingsperiode’, waarbij de rechter die het vonnis uitspreekt een termijn kan opleggen vooraleer de veroordeelde vervroegd kan vrijkomen, is ook een historisch nieuwe stap in een strengere repressie. 

De ‘beveiligingsperiode’ maakt nu voor bepaalde misdrijven een einde aan die 125 jaar oude regel, die zijn nut onmiskenbaar bewezen heeft. De mogelijkheid op vervroegde vrijlating kan door de rechter voor een vaste periode worden geblokkeerd. In landen waar een gelijkaardig systeem (niet samendrukbare straffen) bestaat, zoals in de VS, is de criminaliteit er niet door verminderd. De vraag is ook of de invoering van deze maatregel het probleem van de overbevolking en spanningen in de gevangenissen niet zal verhogen, om nog te zwijgen over de kostprijs. Vooraleer dergelijke maatregel door te voeren zou best het advies worden ingewonnen van experten criminologie.

De regering wil ook nieuwe straffen invoeren. Zo onder meer het verbod voor wie niet over de Belgische nationaliteit beschikt om tijdelijk of definitief op het grondgebied te verblijven (p. 82). Dit is de herinvoering van de dubbele straf voor vreemdelingen. Dit is een vorm van geïnstitutionaliseerde discriminatie daar deze straf enkel op vreemdelingen zou kunnen toegepast worden.

De rechten van de verdediging in het gedrang

De regering-Michel-De Wever wil ook ingrijpen in de strafprocedure ‘om maximaal procedurefouten te vermijden’ (p. 82). Te verwachten is dat er maatregelen zullen ingevoerd worden die het voor de verdediging nog moeilijker maken om fouten in de strafprocedure op te werpen. Procedureregels zijn een noodzakelijke voorwaarde om te garanderen dat politie, parket en onderzoeksrechter tijdens het strafonderzoek de fundamentele mensenrechten, zoals privacy en recht op verdediging, respecteren. Dit is cruciaal in een rechtsstaat. De zittende magistratuur (de rechters) moeten een volledige controle kunnen uitvoeren op het onderzoek door parket, onderzoeksrechter en politie. Advocaten moeten dit in het kader van de verdediging kunnen aankaarten.

In dezelfde lijn ligt het voornemen van de regering om de Salduz-procedure, waardoor een advocaat de verdachte bij het politieverhoor en het verhoor bij de onderzoeksrechter mag bijstaan, te evalueren om ‘een beter evenwicht bepalen tussen de rechten van de verdediging en de bijkomende werklast voor justitie en de politiediensten’ (p. 83). De regering heeft zich hier nochtans te houden aan de Salduz-rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het gaat niet op de bijstand van een advocaat af te wegen aan de werklast van de politie. Het is geen kwestie van evenwicht, maar wel van respect voor de rechten van verdediging en de regering dient ervoor te zorgen dat de politie voldoende mensen en middelen heeft om dit recht te doen naleven.

De regering neemt zich ook voor om specifieke kamers in te richten voor snelrechtprocedures (p. 83). Deze snelrechtprocedures zetten het recht op een eerlijk proces op de helling omdat ze het risico inhouden dat geen ernstig onderzoek wordt gevoerd en dat de verdediging niet grondig kan worden voorbereid. De PVDA is er niet tegen dat er snel recht wordt gesproken, maar met respect voor de rechten van verdediging.

Een procedure om schuldig te pleiten (plea bargening) zal worden ingevoerd (p. 83). Justitie wordt zo nog meer een koehandel. Ook het recht op eerlijk proces komt hier in het gedrang. Onschuldige personen kunnen, om erger te voorkomen, gepusht worden om iets te bekennen dat zij niet gedaan hebben. Het gevaar bestaat ook dat er geen grondig onderzoek meer zal gebeuren, daar de (on)schuldige toch al bekend heeft. Ook dit is een breuk met de Belgische strafrechttraditie die altijd geopteerd heeft voor de regels van een strafproces met aanklacht en verdediging.

De regering wil ook dat de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling in de gevangenissen zelf zetelen en dat de correctionele zittingszalen in de nieuwe gevangenissen zullen worden gebruikt (p. 86). Ook wordt een proefproject proces per videoconferentie opgezet (p. 86).

Voor Françoise Tulkens, emeritus rechter bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in Straatsburg,  brengt dit het fundamenteel principe van een openbaar proces is in het gedrang.[2]

2. Gerechtelijke organisatie

Efficiëntie en management als breekijzer tegen de democratie

België is al meermaals veroordeeld voor zijn gerechtelijke achterstand. De regering wil die nu wegwerken. Maar deze regeringsverklaring ligt in de lijn van deze van de vorige regeringen. Zij beloofden allen een betere, snellere en efficiëntere justitie. Zoals ook nu wordt deze belofte vertaald door een ‘manager’-benadering en een concentratie van middelen die de juridische gesprekspartners nog verder van de burgers verwijderen. Centraal staat de grondige herziening van het beheer van de rechterlijke orde door grotere managements- en budgettaire bevoegdheden te geven aan de korpschefs (p. 76). De ‘korpschefs worden beoordeeld op basis van managementscapaciteiten’ (p. 78). Er worden beheerscontracten opgelegd met nauwkeurige en becijferde doelstellingen (p. 77). Er komt een ‘zo groot mogelijke rationalisering en vereenvoudiging’ van het werk van de magistraten.

De bedoeling blijkt echter vooral ‘werkingsbesparingen bij het beheer van de rechterlijke orde’ te zijn en ‘rationalisering van de middelen’.

Justitie wordt afgemeten op rendement, zoals een privébedrijf, en benaderd als een marktproduct. Dat justitie efficiënter en moderner kan en moet, is niet te betwisten. Maar justitie is geen privébedrijf en het economisch rendement kan niet het uitgangspunt zijn. De manager-aanpak werd al toegepast in Nederland en heeft er geleid tot een merkbare uitholling van de kwaliteit van de besluiten, ten voordele van de dictatuur van de kwantitatieve quota. Het valt  te vrezen dat de rechtspraak meer zal beoordeeld worden op het aantal vonnissen en de snelheid van handelen, dan vanuit de democratische kwaliteit van de vonnissen. Dit laatste is niet terug te brengen tot statistische cijfers.

Democratische rechtspraak vereist tijd en middelen, en is een noodzakelijke kost voor de maatschappij. De traagheid van justitie kan en moet aangepakt worden door justitie te decentraliseren naar het dichtst bij de burger gelegen niveau en door burgers actief in het juridische proces te betrekken. Nu ‘ondergaan’ de burgers het hele rechtsgebeuren.

De crisis in de Belgische justitie kan maar opgelost worden door maatregelen voor een democratisch, participatief en efficiënt rechtssysteem in dienst van de burgers.

De democratische participatie wordt net afgebroken door de invoering van de eenheidsrechtbank

De eenheidsrechtbank zou rechtbank van koophandel, arbeidsrechtbank en rechtbank van eerste aanleg tot één rechtbank samenvoegen (p. 76). Deze maatregel bevestigt de tendens om de rechtbanken te centraliseren in grotere eenheden. Het zijn net twee rechtbanken waar lekenrechters in zetelen en die zo de rechtspraak dichter bij de burgers brengen. Onder de vlag van efficiëntie is er bij de invoering van de eenheidsrechtbank geen enkele aandacht om justitie dichter bij de bevolking te brengen.

Meer controle van de regering op justitie

De regering zal ‘nadenken’ over het versterken van de controle op de werking van justitie hetzij via een versterkte controle binnen de werking van de Federale Overheidsdienst Justitie (de regering) hetzij via een bijzondere parlementaire commissie (p. 78). Ze wil ook de invoering van een statuut voor magistraten en meer controle op andere actoren van justitie (p. 79). De Hoge Raad voor de Justitie zal onderzocht en desgevallend hervormd worden wat betreft  haar audit-, controle- en monitoringfunctie.

Deze maatregelen gaan veel verder dan loutere managementsingrepen. De Hoge Raad voor Justitie werd op 1 maart 1999 opgericht in een poging om het vertrouwen van de burger in Belgische justitie te verbeteren na de Dutroux-affaire. Hij speelt een beslissende rol in de selectie en benoeming van magistraten, voert externe controle uit via audits, bijzondere onderzoeken en behandelt klachten en brengt adviezen uit.  Die Hoge Raad, ondanks de kritieken erop, speelde een objectiverende en depolitiserende rol bij benoemingen die vroeger door de politieke partijen werden geregeld. De Raad dreigt opnieuw meer onder controle van de uitvoerende macht (FOD justitie) of van het parlement te komen. De autonomie van justitie en de scheiding van de machten wordt zo op de helling gezet. 

Ook de invoering van een statuut voor magistraten dreigt hun afhankelijkheid van de uitvoerende macht te vergroten. Komt daar nog bij dat zal onderzocht worden om andere externen (welke?) bij de tuchtrechtbanken voor magistraten te betrekken.

Een democratische controle op justitie is nodig. Dit houdt op de eerste plaats in dat de bevolking zelf bij de rechtspraak betrokken wordt, onder andere door verkozen of gedelegeerde lekenrechters. Op de tweede plaats zijn we ervoor dat de controle geschiedt door het parlement, maar dit moet gaan over een controle op het algemene justitiebeleid. Ten derde kunnen in de tuchtorganen voor magistraten afgevaardigden van de bevolking worden opgenomen. Maar cruciaal blijft de autonomie van justitie tegenover de regering. Onafhankelijke rechtspraak is essentieel. De diverse voorstellen van het regeerakkoord dreigen die autonomie in het gedrang te brengen.

Administratie en sociale sector worden ingelijfd bij politie en gerecht

De regering-Michel-De Wever wil werk maken van “optimale en succesvolle samenwerkingsverbanden tussen politie, hulpverlening, justitie, OCMW en bestuur in het kader van complexe dossiers” (p. 84). Zo worden bestuur en dienstverlening mee ingeschakeld in het strafbeleid. Dit is een gevaarlijke maatschappelijke tendens om van deze diensten een verlengstuk van politie en parket te maken. Zij hebben een bestuursfunctie en een hulpfunctie, geen repressieve functie. Straathoekwerkers worden nu al in bepaalde Brusselse gemeenten gepusht om feiten aan de politie te melden. Zo hebben zij geen mogelijkheid meer om een vertrouwensband op te bouwen met de jongeren in die wijken. Wat op zijn beurt de kans op criminaliteit verhoogt. Hulpverleners inschakelen in de repressie leidt tot een neerwaartse spiraal.

De regeringsverklaring wil in de gevangenissen aangepaste inrichtingen waar ze gedetineerden met een gevaarlijk profiel een aangepast veiligheidsregime kan in onder brengen (p. 123). Het gaat dan om afdelingen met zeer zware detentievoorwaarden waarin isolatie en permanente afzondering een essentieel gegeven is. Dit lost de gevaarlijkheid niet op. Het valt te vrezen dat dergelijke regimes de herintegratie in de maatschappij van deze gevangenen nog problematischer zal maken.

3. Veiligheid en politie: naast blauw ook kaki op straat

Een nationale Veiligheidsraad, integratie veiligheidsdiensten, politie krijgt de handen vrij voor ordehandhaving, het leger krijgt politietaken, uitgebreide controle op de bevolking, harde aanpak van de kleine criminaliteit en weinig ambitie in de strijd tegen grote financiële criminaliteit.

‘Integrale Veiligheid’?

Er komt een nieuwe kadernota ‘Integrale Veiligheid’ in overleg met de lokale overheden, de deelstaten en (wat nieuw is) de Nationale Veiligheidsraad. Die kadernota moet uitmonden in een Nationaal Veiligheidsplan in 2017 (p. 91). Het aantal prioritaire criminaliteitsfenomenen zal beperkt worden. De vraag is wat wel en niet zal aangepakt worden. Het enige wat concreet vermeld wordt, is de aanpak van de grenscriminaliteit. En marginale ‘veiligheids’fenomenen zoals daklozen en bedelaars (komt er een nieuwe wet op de landloperij?), kraakpanden (regeling om uitdrijving te versnellen), malafide organisaties en slijterijen (sneller aanpakken) en drugs (verbod gebruik publieke ruimte; geen gedoogbeleid) worden wel vernoemd (p. 92). Harde aanpak in plaats van tolerantie en sociale oplossingen dus.

Dat geldt ook voor degenen die genieten van uitkeringen. “Uitkeringsfraude en grensoverschrijdende sociale fraude tasten de draagkracht van onze sociale zekerheid aan. Ze moeten samen en met gelijke slagkracht worden aangepakt.” (p 40)

“Er wordt verder ingezet op datamining en kruising van gegevens tussen de inspectiediensten, de sociale zekerheidsinstellingen, de fiscale administratie, de Kruispuntenbank van de Ondernemingen en derde instanties om dubbel gebruik van sociale uitkeringen of oneigenlijke cumuls van een uitkering met een loon te vermijden en om ontduiking van sociale bijdragen tegen te gaan.” (p. 42)

Wanneer het echter gaat over de fiscale fraude die de schatkist tientallen keren meer kost, is er sprake van “respect voor de belastingplichtige: de fiscus behandelt de belastingplichtige met respect. Fiscale controles zijn nooit aangenaam maar wel noodzakelijk, en gebeuren daarom klantgericht, correct en efficiënt” (p. 59). En: “Bovendien zouden inspectiediensten zich in de eerste plaats meer als partner van de ondernemingen kunnen opstellen, zeker wanneer er sprake is van een eerste overtreding.” (p. 59)

Nationale Veiligheidsraad, Belgische variant van NSA

De regering-Michel-De Wever opteert voor een ‘totaalaanpak’ inzake veiligheid. Er komt een totaal nieuwe veiligheidsstructuur, met een politieke kern en met een bestuurlijke kern.

De politieke kern is het Ministerieel Comité Inlichtingen en Veiligheid met naast de eerste minister, ook de ministers van Justitie, Defensie, Binnenlandse Zaken, Buitenlandse Zaken en de vice-eersteministers.

De bestuurlijke poot wordt naar het voorbeeld van het Amerikaanse NSA (National Security Agency) de nieuw op te richten Nationale Veiligheidsraad. Hierin worden alle diensten en aspecten van veiligheid en inlichtingen gecentraliseerd (p. 91). Over de gevaren die een dergelijke nooit geziene centralisatie van macht en vooral van inlichtingen inhoudt, staat geen woord in de regeringsverklaring. De door Snowden onthulde ontsporingen van het NSA zouden nochtans moeten aanzetten tot voorzichtigheid bij de oprichting van een dergelijk machtig orgaan. De Amerikaanse Nationale Veiligheidsraad bespioneert, op basis van een geheim gerechtelijk bevel, haar burgers op massale schaal: zowel telefoongesprekken, mails, bezochte internetsites. Een dergelijke uitgebreide gegevensoverdracht wordt doorgaans enkel toegestaan in het kader van specifieke verdenkingen. Zelfs de vroegere democratische vicepresident Al Gore vindt dit “geheim blanco bespioneren obsceen schandalig”. Het toont de mate aan waarin onze fundamentele democratische rechten in het geheim moeten wijken voor de eisen van niet ter verantwoording te roepen inlichtingendiensten.

De Nationale Veiligheidsraad zal het Ministerieel Comité systematisch informeren maar er is geen melding van democratische controle op die Nationale Veiligheidsraad door bv het parlement.

In dezelfde lijn ligt het plan om de twee inlichtingendiensten (Staatsveiligheid, Veiligheid van het leger) nauwer te doen samenwerken (p. 91). Nochtans hebben beide inlichtingendiensten een heel andere doelstelling: de ene de bestuurlijke veiligheid, de andere de militaire veiligheid van het land.

De strijd tegen de radicalisering: uitholling van de rechtstaat

Dit hele apparaat wordt noodzakelijk geacht wegens de noodzaak om de strijd tegen radicalisering aan te pakken. Dat wordt voor de regering-Michel-De Wever een prioriteit.[3] Er wordt niet gezegd wat onder radicalisering verstaan wordt.

De regering wil de radicalisering aanpakken met een beleid op preventief, proactief, justitieel en bestuurlijk vlak (p. 98).

Ze wil de toepassing en herziening van de wet van 1 augustus 1973 betreffende de diensten bij een vreemde leger- of troepenmacht (om de Syriëstrijders te straffen). Ze wil degenen die een dubbele nationaliteit bezitten, de Belgische nationaliteit afnemen via versnelde rechtspleging. Prioriteit krijgt de vervolging op basis van inbreuken op terrorismewetgeving en wet 1 augustus 1973. De betrokkenen kunnen hun statuut van vluchteling of asielzoeker, hun paspoort verliezen.

Naast deze specifieke maatregelen zijn er ook structurele maatregelen. Op niveau van de arrondissementen komen er local taskforces, die informatie doorgeven aan en samenwerken met de lokale politiezones. Er komen gemengde teams van lokale en federale politie en specifieke opleidingsprogramma’s. Gegevens over gewelddadige radicalisering zal via het bestuurlijk luik van de Algemene Nationale Gegevensbank (ANG) worden uitgewisseld tussen de relevante veiligheidspartners. Toezicht op de financiering van het terrorisme wordt verscherpt via de Cel voor Financiële Informatieverwerking (CFI). Er zal internationaal overlegd worden, en jihadstrijders en hun reisgegevens worden geregistreerd op een internationale terrorismelijst. Radicaliserende, haatzaaiende, jihadistische content van websites en sociale media zullen worden bestreden. Er komt een wettelijk kader voor het anoniem patrouilleren op het internet (zodat kan geïnfiltreerd worden in sites…).

Verder (p. 101) wordt de evaluatie en eventuele aanpassing van de BIM- en BOM-wet aangekondigd. Dat zijn bijzondere inlichtingen en opsporingsmethodes, zoals het infiltreren van agenten in de betroffen organisaties, het afluisteren van telefoons, enz.

De regering wil bij de aanpak van radicalisering, net zoals bij de criminaliteitsbestrijding, ook brede lagen van de bevolking inschakelen: onder meer door “een intensieve dialoog met religieuze verantwoordelijken en het middenveld” (p. 100). Dit is een nieuwe tendens om lokale besturen, OCMW’s, jeugdclubs, jeugdbewegingen, sportclubs, kerken, moskeeën, scholen en wijkagenten in te schakelen om als lokale voelsprieten elk ‘radicaal’ gedrag te signaleren aan de autoriteiten. Dit is nefast voor het sociale leven.

De resem gespierde maatregelen passeren zonder veel kritiek. IS en de vrees voor terugkerende Syriëstrijders zijn gebeurtenissen die terecht ongerustheid wekken. Maar al die maatregelen, en zeker wanneer zij samen worden beschouwd, bouwen een aantal fundamentele rechten af. Door het afnemen van paspoort en nationaliteit, verbod op verblijf, afnemen van sociale zekerheid, speciaal gevangenisregime… creëert de overheid een categorie rechtenloze burgers. Rechtenloos en statenloos. Burgers buiten de wet.

Niemand betwist dat er tegen “Syriëstrijders” moet opgetreden worden. Maar dit kan gebeuren door specifieke en tijdelijke maatregelen in plaats van een permanente uitzonderingstoestand te creëren die de burgerrechten en vrijheden op de helling zet en de rechtstaat uitholt.

De verwijzing naar het jihadisme is een gemakkelijk glijmiddel. Als het enkel over jihadisme zou gaan, zou enkel die term gebruikt worden. Dat is niet het geval. Dit maakt mogelijk dat de ‘integrale aanpak radicalisering’ in bepaalde omstandigheden een veel ruimere toepassing kan krijgen. Radicalisme is een ruim begrip, waarvan de invulling bepaald wordt door de maatschappelijke positie die de veiligheidsdiensten zelf innemen. De strijd tegen radicalisering kan dan toelaten om – nog breder dan in het kader van het terrorisme – elke oppositie onder controle te plaatsen.

Zo schrijft oud-journalist Paul Goossens[4]: “Wedden dat Binnenlandse Zaken binnenkort zijn redenen zal vinden om de lijst van terroristische organisaties naar links te verruimen.” Onder de vlag van de aanpak van radicalisering worden  gevaarlijke precedenten doorgevoerd die in geval van breed en radicaal sociaal verzet in hun geheel of in onderdelen kunnen worden aangewend tegen de sociale oppositie.

Politie: Meer blauw en kaki op straat. Macht neemt drastisch toe. Democratische controle neemt af.

In de regeringsverklaring is de slogan ‘meer blauw op straat’ letterlijk opgenomen.  Maar het koninginnenstuk in dat ordehandhavingsverhaal is het tijdelijk inzetten van het leger voor bewakingsopdrachten bij een verhoogd algemeen dreigingsniveau vanaf niveau 3, ‘ernstig’[5] (p. 95). Deze regering wenst niet alleen meer blauw op straat. Ook het leger kan voortaan ingezet worden voor civiele doeleinden. Dat kan op vraag van de burgemeester of bij een verhoogde terreurdreiging.

Dat is een wens die Bart De Wever reeds meermaals uitte. Zowel na de aanslag op het Joods Museum te Brussel als na de blokkades van de foorkramers, wou de Antwerpse burgemeester het leger inzetten. Het is een belangrijk onderdeel van de versterking en uitbreiding van het veiligheidsapparaat. Zo wordt het leger dat getraind is om het land te verdedigen en oorlog te voeren, gebruikt voor het handhaven van de binnenlandse veiligheid, wat niet tot haar taken behoort. Wanneer er straks harde sociale acties komen is het denkbaar dat de regering het leger inzet zoals gedurende de staking ’60-’61.

De regering bereidt zich dus duidelijk voor op het verzet tegen haar antisociale beleid. De operationele capaciteit voor de ordehandhaving zal ook opgedreven worden door mensen en budget hiervoor vrij te maken (p. 94-95), door een samenwerking van de bijzondere bijstandsteams van lokale en federale politie (p. 94), door de federale reserve (FERES) en de Interventiekorpsen (CIK) te versterken zodat ze soepeler en meer efficiënt kunnen worden ingezet ten voordele van de lokale politie in geval van incidenten, rampen of onvoorziene gebeurtenissen van grote omvang (p. 96).

Ook de privatisering van het politiewerk wordt in dat kader gesteld. De regering wil meer niet-politiemensen inschakelen bij politietaken. Zo zal het bekijken van beelden van bewakingscamera’s door ‘specifiek gemachtigden of daartoe opgeleide personen’ kunnen geschieden (p. 92). Ook taken die niet tot de kerntaken van de politie behoren zullen kunnen worden uitgevoerd door private veiligheidsdiensten (p. 92). Op die manier wordt het veiligheidsapparaat verder versterkt. Het is ook een eerste aanzet voor privatisering van de politie. Privé(politie)diensten zullen evenmin de regels vastgelegd in de wet op het politieambt moeten respecteren.

Democratische controle afgebouwd.

De rol van de burgemeester in het tuchtrecht van de politie wordt beperkt (p. 93). De tuchtcontrole door de burgemeester (en de gemeenteraad) op de politie is een belangrijk aspect van democratische controle. 

De macht van politie- en veiligheidsdiensten neemt drastisch toe, terwijl de mogelijkheid tot wettelijk verweer van de burger tegenover mogelijke misbruiken van deze diensten wordt afgebouwd. “Respect voor het ambt van politieagent staat centraal.” (p. 93) “In onze samenleving is geen plaats voor geweld tegen veiligheidsberoepen.” De integriteit van de politiemensen dient ten alle tijde gegarandeerd te worden bij de uitvoering van hun functie; daartoe wordt, onder meer, hun identiteit beschermd (p. 96).

De PVDA stelt dat een democratische politie respect afdwingt, en verdient. Maar de regering gaat eraan voorbij dat het gebruik van geweld door burgers, ook tegen de politie, al wettelijk geregeld is: het is verboden, tenzij uit wettige verdediging.[6] In 2010 werden de straffen voor geweld tegen politiemensen reeds drastisch opgevoerd.[7]

Aan de bescherming van de burgers tegen het geweld van de politie, verliest de regeringsverklaring geen woord. Nochtans zijn er de voorbije jaren diverse zaken aan het licht gekomen van onverantwoord gebruik door politiediensten (onder andere de zaak van Jonathan Jacob, die doodgeslagen werd in een Mortselse politiecel).

De regering zal zelfs “naar een oplossing zoeken voor manifest onterechte klachten tegen het politiepersoneel en ander veiligheidspersoneel” (p. 96). Het valt te verwachten dat er (penale) sancties worden opgelegd aan wie een ‘onterechte’ klacht neerlegt. Dat kan enkel de burger afschrikken die een klacht tegen de politie zou willen indienen. Het valt te vrezen dat bepaalde politiemensen dit als een vrijgeleide zullen aanzien om brutaal en racistisch op te treden. Net als het voorstel om de identiteit van de politiemensen te beschermen. Nog maar in maart 2014 werd een nieuwe wet aangenomen die een (beperkte) identificatie van de politie verplicht maakte.[8] De vraag is wat de regering hier precies van plan is. Wil de regering verbieden om voortaan politiegeweld op smartphones vast te leggen?

4. Privacy: voor het grote geld, niet voor Jan Modaal

“Een bijzonder aandachtspunt is de bescherming van de privacy” (p. 101). Dat klinkt mooi en veelbelovend.

Om de geloofwaardigheid van die woorden enige kracht bij te zetten had de regering kunnen aankondigen dat ze de wet van augustus 2013 waarbij de telefoon- en internetcommunicatiedata van alle burgers gedurende een jaar worden bewaard, zou intrekken. Het zou een concrete stap geweest zijn zeker nadat het Europees Hof van Justitie in april 2014 de Europese Richtlijn waarop die Belgische wet gebouwd was, had vernietigd. Maar niet dus.

De Big Brother-maatschappij komt met deze regering bijzonder snel dichter bij.

Dat de regering de kritieke infrastructuren, het wetenschappelijk en economisch potentieel en de overheidssystemen wil beschermen tegen de cyberdreiging, is niet meer dan normaal. De massale hacking door NSA en andere diensten van deze voor het land cruciale structuren vraagt om een betere bescherming (p. 101). Maar wat wel een probleem stelt, is dat ze ook het doen en laten van elke gewone burger in dit land tot in elk detail wil kennen, ook al gaat het om zaken die niets met terrorisme of misdrijven te maken hebben.

Een bijzonder gevaarlijke tendens is de wil om allerlei databanken met mekaar te koppelen of bestaande databanken drastisch uit te breiden. De informatisering van justitie zal afgestemd worden op de informatisering bij de politie met het oog op een vlottere informatiedoorstroming (p. 78 en p. 95). De nieuwe ICT van het gevangeniswezen (Sidis Suite) zal op termijn gekoppeld worden aan de kruispuntbank sociale zekerheid (p. 86). De gegevensbank van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren (CKP) zal uitgebreid worden door er naast niet betaalde bankkredieten ook niet betaalde rekeningen voor energie, telecom, personenbelasting… in onder te brengen. In die gegevensbank zullen ook personen met huurachterstallen in opgenomen worden (p. 89-90). Justitiewatcher Jan Nolf maakt hierbij terecht de kritiek dat verhuurders deze databank zullen raadplegen en zo de zogenaamde zwakke huurders dreigen uitgesloten te worden op de huurmarkt.[9] De twee inlichtingendiensten zullen informatie optimaal uitwisselen (p. 91). Het bestuurlijk luik van de Algemene Nationale Gegevensbank (ANG) van de politie zal toegankelijk worden voor de geïntegreerde politie (p. 100).

De vermenging van allerlei databanken brengt de privacy van de burgers in het gedrang. Een databank mag enkel gegevens bevatten die verband houden met het doel ervan en de data mogen enkel voor dat doel gebruikt worden en niet voor iets anders.[10] Wanneer allerlei databanken met mekaar verbonden worden, laat dit toe een zeer gedetailleerd beeld te maken over alle aspecten van het leven van de burgers. Zo blijft er van het recht op persoonlijke levenssfeer niet veel meer over. Privacy neergelegd in artikel 8 van het EVRM wordt beschouwd als een afweerrecht in handen van de burger, om de overheid van zich af te houden. Enkel in verantwoorde situaties mag hiervan afgeweken worden. De regeringsverklaring negeert dit, vooral door de ongegeneerde koppeling van databanken.

Ook de reeds ongebreidelde groei van bewakingscamera’s zal nog vergroten. Nu al lijkt het land stilaan op een open gevangenis waar op alle cruciale punten en grote verkeersassen camera’s elke verplaatsing registreren. De camera’s worden ook steeds ‘slimmer’, wat maakt dat zij ook meer precieze gegevens (gezicht, nummerplaat, traject…) vastleggen. De vrijheid van verplaatsing komt in het gedrang als de burger ervan moet uitgaan dat elke stap die hij zet geregistreerd wordt. Dit niet in het minst wanneer die verplaatsingen geschieden in het kader van politieke of syndicale activiteiten. Met deze regering zal deze inbreuk op de privacy nog groter worden.

Eén categorie blijft buiten schot: de grote financiële vermogens. Alle gegevens van de gewone man worden zorgvuldig in deze databanken verzameld. Maar er komt opnieuw geen vermogenskadaster. Het is tijd dat die elementaire democratische opdracht vervuld wordt, en dat er een inventaris wordt aangelegd van de rijkdommen in ons land. Laat ons de rijkdom in kaart brengen. Die rijkdom moeten we kennen om hem te activeren, om opnieuw te investeren in de samenleving, in plaats van ze te verbergen in belastingparadijzen.

[1] Dat is de bijdrage die de burger betaalt in de kosten van rechtspraak als hij een gerechtelijke procedure instelt.

[2] La Libre Belgique, 20 oktober 2014.

[3] Zie ook: R. Jespers, Big Brother in Europa, uitg. EPO,  2010.

[4] Tweet 21 oktober 2012 @PaulGoossens2.

[5] Er zijn vier dreigingsniveaus: 1= laag, 2=gemiddeld, 3=ernstig, 4=zeer ernstig (KB 28 november 2006, artikel 11 §6). Ernstig: indien blijkt dat de dreiging tegen de persoon, de groepering of de gebeurtenis die het voorwerp uitmaakt van de analyse mogelijk en waarschijnlijk is.

[6] Artikel 37bis en 38 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt bepaald in welke gevallen de politie geweld mag gebruiken. Artikels 257 wetboek Strafrecht sanctioneert politie die zonder wettige reden geweld gebruikt. Artikel 416 wetboek Strafrecht bepaalt dat er geen misdrijf is wanneer de doodslag, de verwondingen en de slagen geboden zijn door de ogenblikkelijke noodzaak van wettige verdediging van zichzelf of van een ander.

[7] Artikel 280 wetboek Strafrecht.

[8] Wet van 4 april 2014 tot wijziging van artikel 41 van de wet op het politieambt; deze wet kwam er ingevolge een arrest van het EHRM.

[9] Jan Nolf, Justitie onder Michel I: niet meer voor de gewone mens, De Wereld Morgen, 9 oktober 2014.

[10] Zie R. Jespers, Big Brother in Europa, uitg. EPO, 2010, pp. 128-134.