Anne Delespaul op een actie voor goedkopere medicijnen (Foto Solidair, Salim Hellalet)

Maggie De Block kan en moet optreden tegen peperdure medicamenten

Steeds vaker kosten nieuwe geneesmiddelen onze sociale zekerheid steeds meer geld. Minister van Volksgezondheid Maggie De Block beweert dat er geen alternatieven zijn als we patiënten toegang willen geven tot de meest innovatieve medicatie op de markt. Maar is het wel juist dat de minister niets kan doen tegen deze woekerprijzen?

De kostprijs van peperdure innovatieve geneesmiddelen staat vaak totaal los van de reële ontwikkelingskosten die de firma erin geïnvesteerd heeft. Die rekent gewoon de hoogst mogelijke prijs aan die patiënten en de ziekteverzekering bereid zijn te betalen. 

Uit een grootscheeps onderzoek uit 2009 van toenmalig Eurocommissaris voor Mededinging Neelie Kroes blijkt dat 23 procent van de kostprijs van een geneesmiddel gaat naar reclame en maar 17 procent naar onderzoek en ontwikkeling. Daarvan gaat maar 1,5 procent naar echt innovatief onderzoek. Het overige deel van de onderzoeksbudgetten gaat naar de ontwikkeling van kopieën of varianten van al bestaande winstgevende geneesmiddelen.

De basissubstantie van dergelijke innovatieve geneesmiddelen is vaak het resultaat van jarenlang onderzoek door gepassioneerde wetenschappers van verschillende universiteiten, gefinancierd met overheidsgeld. Dit basisonderzoek is altijd het duurste en heeft het grootste risico. De hoge prijs die de industrie aanrekent, is dus geen gevolg van hoge kosten van innovatief onderzoek, maar van misbruik van patentrecht: zolang een medicament onder patent is, heeft het bedrijf een volledig monopolie en kan het de prijs volledig zelf bepalen.

Maak van geneesmiddelen een publiek goed

Als Roche en Novartis afspreken dat oogpatiënten die lijden aan ouderdomsblindheid enkel behandeld mogen worden met Lucentis dat 20 keer duurder is dan het volledig evenwaardige Avastin en hetzelfde Roche kan weigeren om een goedkoper alternatief voor een geneesmiddel tegen Multiple Sclerose op de markt te brengen omdat hun nieuwste "innovatie" zoveel meer winst oplevert, moeten we dan het beleid niet laten bepalen door de maatschappelijke behoeftes in plaats van door het aanbod? Als de aandeelhouders van Pfizer kunnen beslissen of er nog verder onderzoek wordt gedaan naar veelvoorkomende ziektes als Alzheimer en Parkinson, moeten we er dan niet voor zorgen dat onderzoek naar geneesmiddelen en ook de vruchten ervan in publieke handen zijn?

De oplossing op lange termijn is dat “de ontwikkeling van geneesmiddelen voornamelijk een publieke onderneming zou moeten zijn, enkel gericht op de reële behoeften. De private farmaceutische bedrijven zouden nog wel de geneesmiddelen kunnen produceren en zouden op concurrentiële basis diensten kunnen leveren aan de publieke leverancier. Octrooien en monopolies zouden geen reden van bestaan meer hebben, omdat geneesmiddelen en andere gezondheidstechnologieën als publieke goederen worden beschouwd.” Dat zeggen wij niet alleen, dit is de conclusie van het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE) en haar zusterorganisatie het Zorginstituut Nederland (ZIN). Zij brachten in 2016 een rapport uit dat op zoek ging naar maatregelen om de spiraal van de steeds stijgende prijs voor geneesmiddelen te doorbreken. Aan dit onderzoek werkten ook vertegenwoordigers van patiëntenorganisaties, regeringen, de industrie, academici, regulerende instanties en zorgbetalers mee, zowel uit Europa als Noord-Amerika. De achterliggende redenering is dat de farma-industrie nooit op zoek gaat naar geneesmiddelen die het best beantwoorden aan de behoeftes in de maatschappij, maar naar de hoogst mogelijke winst op zo kort mogelijke tijd.  

Dwanglicenties mogelijk en noodzakelijk

Maar ook op korte termijn kan de minister maatregelen nemen om de woekerprijzen aan banden te leggen. Ze zou dat ook moeten doen, want die zetten de duurzaamheid van onze solidaire ziekteverzekering zwaar onder druk. De minister kan bijvoorbeeld dwanglicenties toepassen: de overheid verplicht een bedrijf een licentie van een geneesmiddel vrij te geven voor een ander bedrijf dat goedkoper produceert, in ruil voor een billijke vergoeding aan de patenthouder. Het internationale patentrecht zegt dat dwanglicenties mogen worden gebruikt in geval van patentmisbruik of wanneer de betaalbaarheid van de gezondheidszorg op de helling komt te staan.

In verschillende Europese landen zijn er de voorbije jaren oproepen gedaan om zo’n dwanglicenties in te zetten. Zo verzocht de Ierse artsenorganisatie vorig jaar de Ierse overheid om een dwanglicentie af te geven voor sofosbuvir. Dit geneesmiddel tegen hepatitis C kost 45 000 à 90 000 euro om één patiënt te genezen van het virus. Volgens een studieteam uit Liverpool bedragen de echte productiekosten van een driemaandelijkse behandeling met sofosbuvir maar 100 euro. In India maken generische producenten onder licentie sofosbuvir voor euro. Gilead, de farmareus die het medicijn op de markt bracht, heeft haar prijs berekend op basis van wat het de patiënt en de gemeenschap kost om een levertransplantatie uit te voeren, een ingreep die door sofosbuvir kan voorkomen worden. Dat is natuurlijk een absurde prijszetting. Even absurd als bijvoorbeeld de kostprijs van het plaatsen van een airbag in je auto vergelijken met een dodelijke afloop van een ongeval. Absurd, maar volgens de patentwetgeving volstrekt legaal, ook al leidt dit tot zulke wanpraktijken.

Ook in Nederland lanceerde het onafhankelijk strategisch adviesorgaan RVS (Raad voor Volksgezondheid en Samenleving) in november vorig jaar eveneens een oproep om dwanglicenties toe te passen. De RVS merkte daarbij op dat de Belgische nationale wetgeving het systeem van dwanglicenties zelfs gemakkelijker toepasbaar maakt dan de Nederlandse.

"Als het vrije ondernemingsbeleid botst met de vrijheid op leven, welke vrijheid zullen we dan moeten inperken?", vraagt het gerenommeerde medisch vaktijdschrift The Lancet zich af. "De functie van dwanglicenties is een wettelijke kwestie, maar de toepassing ervan vereist politieke wil."

Anne Delespaul en Dirk Van Duppen zijn huisartsen bij Geneeskunde voor het Volk en gezondheidsspecialisten voor de PVDA