Miljonairstaks en vermogensrendementsheffing: de verschillen en de gelijkenissen

De partij Groen verdedigt een vermogensrendementsheffing, de PVDA+ een miljonairstaks. Wat zijn de verschillen en de overeenkomsten? De studiedienst van de PVDA+ antwoordt.

Net als Groen wil de PVDA+ het geld gaan zoeken bij de meest vermogenden. Maar op welke manier wordt de belasting geheven? Hoeveel brengt ze op? En wat gebeurt er met de opbrengst?

1. Op welke manier wordt de belasting geheven?

De PVDA+ hanteert een progressieve aanslagvoet op het totale vermogen, met een vrijstelling voor de eigen woning ter hoogte van 500.000 euro. De aanslagvoet bedraagt 1% voor het deel van het vermogen boven de 1 miljoen, 2% boven de 2 miljoen en 3% boven de 3 miljoen.

Groen daarentegen verdedigt het Nederlandse systeem: de vermogensrendementsheffing.

• In Nederland werd die ingevoerd in 2001, ter vervanging van een echte vermogensbelasting. Bij deze belasting wordt uitgegaan van een forfaitair rendement van 4% op vermogen, waarop 30% belasting wordt geheven, in totaal dus een heffing van 1,2% op het totale vermogen. Roerende zaken, zoals auto’s, boten, caravans, kunstvoorwerpen en het eigen huis worden in elk geval niet tot het vermogen gerekend. Er geldt een algemene vrijstelling van 20.661 euro per persoon.

• Groen beperkt het geschatte forfaitaire rendement tot 2,75% in plaats van de 4% in Nederland (wegens de lage rentestand) en voert een progressieve aanslagvoet in tussen 25 en 50% (dus maximaal 1,37% op het totale vermogen).

2. Hoeveel brengt dat op?

Voor de PVDA+ komt de opbrengst van de miljonairstaks uitsluitend van de 3% rijksten, die meer dan 1,5 miljoen euro per huishouden bezitten. Dit brengt 9,5 miljard euro op (Marco Van Hees, Belgïe Belastingsparadijs, p.122). Om niet telkens verwarring te zaaien met cijfers die veranderen en om een zekere marge in te bouwen houden we het bij 8 miljard euro. 

   (uit: Belastingparadijs België, Marco Van Hees, EPO, 2013)

Voor Groen wordt de belasting gespreid over 50% van de bevolking. De bruto-opbrengst is dan ook hoger dan de opbrengst van de miljonairstaks die de PVDA+ voorstelt, namelijk 3,7% van het bbp of 13,5 miljard euro.

DecielAandeel in Belgisch gezins-vermogenTotaal vermogen van deciel in miljard euroVermogen van deciel in % bbpBruto-opbrengst uit deciel in % bbpHoogste marginaal tarief op vermogenImpliciete fiscale druk op het vermogen binnen decielOpbrengst in miljard euro (op basis van "bruto-opbrengst uit deciel in % bbp", kolom 5)
10,06%1,20,30%0,00%0,00%0,00% 
20,11%2,40,56%0,00%0,00%0,00% 
32,02%44,010,48%0,00%0,00%0,00% 
42,62%57,013,58%0,00%0,00%0,00% 
55,44%118,428,21%0,00%0,00%0,00% 
66,92%150,735,90%0,05%0,69%0,15%0,19
710,00%218,051,92%0,18%0,82%0,36%0,66
811,65%253,860,46%0,28%1,10%0,46%1
917,13%373,288,89%0,63%1,23%0,71%2,3
1044,07%960,3228,73%2,54%1,37%1,11%9,4
Totaal      13,55

We gaan ervan uit dat die berekening klopt. Ter vergelijking, in Nederland brengt de vermogensrendementsheffing jaarlijks 0,5% van het bbp op, veel minder dus dan de 3,7% die Groen inschat. Dit kan natuurlijk liggen aan de vele vrijstellingen in Nederland, maar het globale percentage van 1,3% heffing op de vermogens ligt niet ver af van de 1,37 maximumheffing die Groen toepast.

Groen belooft echter tegelijk de bestaande heffingen op vermogensoverdracht (successierechten, schenkingsrechten) en op vermogensaanwinst (registratierechten) af te schaffen en ook de roerende en onroerende voorheffing.

Wouter Van Besien: “In het voorstel van Groen worden de bestaande vermogensbelastingen op natuurlijke personen afgeschaft en vervangen door één belasting op inkomsten uit grote vermogens. Dat betekent onder meer de afschaffing van de successierechten, de schenkingsrechten, de roerende en onroerende voorheffing op natuurlijke personen en de registratierechten.” (Beter, p. 179-180)

Programma Groen: “Uit deze principes volgt een hervorming waarbij we alle bestaande vlaktaksen op privékapitaal afschaffen (zoals de roerende en onroerende voorheffing, de schenkingsrechten, de erfenis- en de registratierechten) en vervangen door een progressieve rendementsheffing op grote vermogens.” (p.79)

Op die manier wordt beweerd dat het voor 75% van de bevolking een belastingverlaging betekent, dat 10% van de bevolking even veel zal betalen en dat 15% méér vermogensbelasting zal betalen.

De belastingen die Groen wil afschaffen brengen de staat (federaal, gewestelijk en lokaal) nu jaarlijks ongeveer 3% van het bbp op (9,8 md in 2009 of ongeveer 11 miljard vandaag). (Nationale Bank (2010) Tendensen inzake de belastingen op de activa van particulieren, p.81)

Een bruto opbrengst van 13,5 miljard en een vermindering met 11 miljard geeft een nettorendement van 2,5 miljard of  0,7% bbp.

Dit is dus heel veel minder dan de 6 miljard waar Wouter Van Besien van uitgaat in zijn boek, en de 7,5 miljard in 2019 waar het programma van Groen van vertrekt.

3. Wat gebeurt er met de opbrengst?

Voor de PVDA+ moet de opbrengst van 8 miljard gebruikt worden voor werk, sociale zekerheid, onderwijs en ecologisch onderzoek. De terugverdieneffecten hiervan hebben we in tegenstelling met alle andere partijen niet ingerekend, alhoewel de aanwervingen bij ons reëel zijn en bij de andere hypothetisch (door loonlastverlaging).

Voor Groen moet die 7,5 miljard (in feite dus maximaal 2,5 miljard) gebruikt worden voor loonlastvermindering voor de bedrijven én voor verhoging van de belastingaftrek voor lage inkomens.

• In het programma van Groen staan 5,1 miljard loonlastverlaging ingeschreven, de helft voor vermindering sociale bijdragen en de helft voor vermindering van de personenbelasting. Het belastingskrediet voor lage inkomens zou volgens de berekeningen die in De Tijd zijn verschenen 2,5 miljard euro kosten. De loonlastvermindering voor het patronaat kost 2,5 miljard.

• Zoals alle andere partijen berekent Groen het ‘terugverdieneffect’ van een loonlastverlaging met 5,1 miljard euro. De helft door aanwervingen, de helft door een hogere koopkracht. De nettokostprijs van de vermindering voor patroons zou werk scheppen en slechts netto 1,1 miljard kosten. Het belastingkrediet zou de koopkracht verhogen en netto maar 840 miljoen kosten. Het ‘terugverdieneffect’ van dit geld dat men uitgeeft (en dat men eigenlijk niet hééft) zou 2,8 miljard bedragen...

Studiedienst PVDA+

 

Bijlage over methodologie

De vertrekcijfers over vermogens

PVDA+ gebruikt het globale cijfer van netto vermogen dat jaarlijks door de Nationale Bank wordt gegeven. Dit is 865 miljard roerend en 1.100 onroerend of samen 1.965 miljard (of meer dan 5 keer het bbp van 370 miljard).

Groen neemt een globaal vertrekcijfer van 2.179 miljard euro. Waarschijnlijk is dat het bruto cijfer, m.a.w. zijn daar de 220 miljard schulden niet van afgetrokken, wat hetzelfde vertrekcijfer zou opleveren.

De spreiding van de vermogens

PVDA+ vertrekt van de tot hiertoe meest fiabele verdeling van de fortuinen, die van Vuchelen, Frank, Praet, Walravens (1978), geactualiseerd door Vuchelen en Walravens (1994) en toegepast op de Nationale Bank cijfers van 2011 door Marco Van Hees in zijn boek Belastingparadijs België. Er zijn andere schattingen gebeurd die in de buurt blijven, maar die van Dulbea is voor ons de enige bruikbare omdat ze ook de opdeling geeft binnen het laatste deciel. Het is de enige bestaande studie die zover is gegaan, wat nogmaals wijst op de noodzaak van een vermogenskadaster.

Groen gebruikt de opdeling van de Enquête EU-SILC (2013), een jaarlijkse steekproef bij 6.000 gezinnen. Zo komt Groen op een 44% aandeel van het laatste deciel in het totale vermogen, terwijl wij op basis van Vuchelen op 49% komen. Dit laatste cijfer correspondeert veel meer met de gekende internationale cijfers en ook met de berekeningen van Piketty.

Vergelijking spreiding van vermogens (in % van het totaal)

DecielGroenPVDA+
10,061
20,111,9
32,022,7
42,623,5
55,444,4
66,925,6
7107,3
811,659,7
917,1315
1044,0748,8