N-VA congresteksten: recept voor eindeloos conflict?

Herwig Lerouge

Begin februari 2014 bezegelt de N-VA met een congres haar voorstellen onder de titel Verandering voor Vooruitgang. Herwig Lerouge van de studiedienst van de PVDA maakte een analyse en concludeert: dit is echt wel de splitsing van België.

De nieuwe staatsvorm waar de N-VA voor gaat, noemt ze steevast ‘confederalisme’ om te verdoezelen wat niet te ontkennen valt: dit is de splitsing van België. Voor de financiering van de schaarse taken die de zes Belgische ministers nog mogen uitvoeren, moeten die terecht bij de deelstaten. Vlaanderen (en/of Wallonië) kan dus de kraan dichtdraaien. Terwijl de federale staat België wel forse uitgavenposten op zijn bord krijgt: de bijdrage aan de Europese Unie, de financiering van de confederale interestlasten, de afbouw van de huidige Belgische staatsschuld en de solidariteit binnen de confederatie. Vlaanderen beslist wat de andere deelstaten nog krijgen via een tijdelijk solidariteitsmechanisme.

De voorstellen van de N-VA zijn onrealiseerbaar en ondemocratisch. Als Bart De Wever zou proberen ze toch door te drijven, komt er naast onvoorstelbare verwarring gegarandeerd ook eindeloos conflict van. Het N-VA-plan leidt tot een onvoorstelbare verarming van Brussel en/of Wallonië. Waarom zouden die dat aanvaarden?

Een analyse aan de hand van acht voorbeelden uit de congrestekst Verandering voor Vooruitgang.

1. De personenbelasting

Over de personenbelasting lees je op bladzijde 20 van de congrestekst: “De personenbelasting wordt, zoals in andere landen, geheven in de woonplaats van de belastingplichtige. In de regio Brussel-Hoofdstad kan elke inwoner via de zgn. Brusselkeuze zelf beslissen of hij onder het Vlaamse dan wel het Waalse stelsel van personenbelasting valt.”

Zoals in andere landen, beweert N-VA, maar dat is gelogen. Op internationaal niveau geldt meestal dat, voor werknemers die in het buitenland werken, de beroepsinkomsten in de bronstaat worden belast, daar waar ze worden verdiend. Dat geldt minstens gedeeltelijk, bijvoorbeeld voor de bedrijfsvoorheffing. Dat is logisch, want die staat heeft de infrastructuurwerken en andere voorzieningen gefinancierd waar die werknemer gebruik van maakt. Daarom bepaalt de bronstaat hoeveel belastingen en sociale bijdragen er betaald worden. De N-VA volgt die logica niet. In haar confederale staat bepalen de autonome deelstaten wel zelf hoeveel belastingen ze heffen en kunnen Vlaanderen en de andere deelstaten bepaalde akkoorden afsluiten. Maar in de N-VA-voorstellen bepaalt Vlaanderen ook hoeveel belastingen Vlamingen die in Brussel of in Wallonië werken, moeten betalen.

Dat heeft verstrekkende gevolgen. Stel dat België vandaag de werkplaats en niet de woonplaats als criterium zou gebruiken bij de verdeling van de ontvangsten uit de personenbelasting tussen de gewesten. Dan zou het Brussel Gewest 2,7 miljard meer inkomsten hebben ten koste van Vlaanderen en Wallonië, zo becijferden de Callataÿ en Cattoir in 2007.

2. De vennootschapsbelasting

Voor de vennootschapsbelasting wil de N-VA daarentegen de vandaag in België bestaande regels wel veranderen: “Zoals het internationaal de standaard is, wordt de vennootschapsbelasting geheven op de plaats van de feitelijke vestiging, en niet van de maatschappelijke zetel” (blz. 20).

Vandaag gebeurt dat in België op basis van de maatschappelijke zetel. Dat is natuurlijk iedeaal voor de bedrijven: ze kunnen met weinig moeite die zetel verplaatsen naar een staat waar de belastingen lager zijn. Maar het motief van de N-VA is niet de strijd tegen dat soort fiscale concurrentie. De N-VA wil ook hier poen scheppen ten koste van de anderen. Met haar regeling verliest Brussel 12% van zijn inkomsten uit vennootschapsbelastingen en die gaan bijna allemaal naar Vlaanderen waar de meeste bedrijven zijn gevestigd.

Je kunt er donder op zeggen dat dit stof is voor een jarenlang gevecht.

Verdeling van de inkomsten van de vennootschapsbelasting volgens de vestigingsplaats en volgens de plaats van de maatschappelijke zetel

Op basis van het belastingjaar 2004

 

Brussels Gewest

Vlaams Gewest

 Waals Gewest

Maatschappelijke zetel

34,3 %

52,1 %

13,6 %

Vestigingsplaats

22,5 %

62,8 %

14,7 %

Bronnen: FOD Financiën (maatschappelijke zetel), CERPE (vestigingsplaats)

www.unamur.be/pdf/publications/63541.pdf

3. Bedrijf met vestigingen in meerdere gewesten: ingewikkeld!

Om het nog ingewikkelder te maken stelt de N-VA voor: “Voor een bedrijf dat vestigingen heeft in meer dan één gebied (Vlaanderen, Wallonië en regio Brussel-Hoofdstad) wordt de belastbare basis verdeeld over de twee of drie gebieden waar het actief is. De verdeling gebeurt volgens de loonmassa, nl. de brutolonen van alle werknemers die het bedrijf in elk van de gebieden tewerkstelt”. Deze regeling probeert men al jaren in Europa in te voeren, zonder veel succes.

4. 'Brusselkeuze' is voor Brusselaars onaanvaardbaar

Voor de overgrote meerderheid van de Brusselse bevolking zijn de voorstellen van de N-VA onaanvaardbaar.

Naast een fiscale hold-up tegen Brussel wil de N-VA ook een politieke betutteling voor Brussel: Vlaanderen en Wallonië beslissen hoe Brussel moet georganiseerd en bestuurd worden. En de Brusselse regering krijgt een paritaire samenstelling. Op Belgisch niveau is dat een goede regeling, omdat die helpt de communautaire vrede te bewaren. Maar als België wordt uitgekleed, waarom zou een regio met hooguit 15% Nederlandstaligen 50% van de ministerposten aan deze minderheid moeten geven? Vanuit de logica van de N-VA – ze vindt het onaanvaardbaar dat de Belgische regering paritair is – is dit helemaal niet te begrijpen. 

In Brussel voert de N-VA een apartheid in. Voor de belastingen en alle persoonsgebonden aspecten (gezondheidszorg, gezinsbijslag, pensioenen, invaliditeitsuitkering, werkloosheid, bijstand…) vallen mensen volgens het N-VA-plan onder de sociale zekerheid van de plaats waar ze wonen. Niet zo in Brussel. Daar geldt de Brusselkeuze. Brusselaars moeten kiezen voor het Vlaamse of het Waalse stelsel. “De Brusselkeuze geldt voor een volledig pakket van dienstverlening, met rechten (tegemoetkomingen) en plichten (bijdragen). Wie kiest voor het Vlaams stelsel valt onder dezelfde regeling als de Vlamingen in Vlaanderen. Het pakket omvat onder meer de personenbelasting, de kostencompenserende stelsels van de sociale zekerheid (gezondheidszorg, gezinsbijslag, tegemoetkomingen voor mensen met een handicap), sociale bijstand (leefloon, inkomensgarantie voor ouderen), de inkomensvervangende uitkeringen (pensioen, invaliditeit, beroepsziekte, werkloosheid), arbeidsbemiddeling, welzijnsinstellingen, jeugdbescherming, migratie en inburgering en stemrecht voor het Vlaams resp. het Waals Parlement (blz. 57).” “Ook de gezondheidszorginstellingen en de zorgverstrekkers in Brussel maken zulke Brusselkeuze en volgen de daaraan verbonden regels en financiering (blz. 21).”  

Dit lijkt wel rechtsreeks overgenomen uit het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. In 1950 vereiste de Population Registration Act dat alle Zuid-Afrikanen ingedeeld werden in drie categorieën: blank, zwart en gekleurd. Het voorstel van de N-VA veegt de vloer aan met het elementaire democratisch principe dat alle inwoners van een regio gelijk zijn voor de wet. Waarom zouden de Brusselaars moeten aanvaarden dat dit voor hen niet geldt?

De Brusselkeuze speelt ook in het onderwijs. “In het Nederlandstalig onderwijs zal in de toekomst wel een strikter voorrangsbeleid gelden. Kinderen van ouders die bij de Brusselkeuze voor het Vlaamse stelsel hebben gekozen krijgen voorrang. In functie van het kwaliteitsbehoud wordt het criterium ‘Nederlands thuistaal’ versterkt en wordt er een band gecreëerd tussen de bijdrage aan het systeem en voorrang om effectief van de diensten van het systeem te kunnen genieten (blz 57).”

5. Splitsing van de sociale zekerheid, sociaal overleg en vakbonden

De N-VA wil ook de arbeidsmarkt regionaliseren, waardoor de loonconcurrentie in eigen land nog zal toenemen: een Waalse werknemer verdient nu al gemiddeld 8 % minder dan een Vlaamse. Als dat verschil nog groter wordt, komen ook de Vlaamse lonen onder druk te staan. Met als gevolg een spiraal naar beneden voor de lasten voor de patroons én de verworvenheden van de werkende mensen.

Bovendien worden de vakbonden, de ziekenfondsen en de organisaties van armoedebestrijding geweerd uit de beheers- en overlegorganen van de RVA, de ziekteverzekering en de pensioenen. In plaats van de vakbonden zal “een nieuwe instantie, het Werkhuis, instaan voor zowel de uitkeringen en de controle als het activeren en reïntegreren op de arbeidsmarkt van werklozen en arbeidsongeschikten (blz. 26).” De sociale onderhandelingen worden enkel nog op sector- en bedrijfsvlak toegelaten. “Het zal ook niet langer mogelijk zijn dat ziekenfondsen zowel de regelgeving opstellen, de regels uitvoeren en ze vervolgens ook controleren (blz. 28).” Natuurlijk zijn deze organisaties dikwijls erg begripvol voor sommige besparingsmaatregelen van de regeringen. Maar ze vormen ook een zekere dam en tegenmacht tegen de neoliberale visie die ook de pensioenen en de gezondheidszorg volledig wil privatiseren, de jacht op werklozen nog wil opvoeren en flexibele jobs wil veralgemenen. Het enige middenveld dat partijen als de N-VA nog wil, zijn de organisaties die zich met een of andere vorm van liefdadigheid bezighouden, de lokale, vrijwillige, belangeloze inzet. Niet de vakbonden of de ziekenfondsen, hoewel die de grootste vrijwilligersorganisaties zijn met veel lokale, belangeloze inzet in bedrijven en op gemeentelijk of regionaal vlak. Die kunnen protesteren en die lopen soms voor de voeten van de vermarkting met zijn onbetaalbare gezondheidszorg die je enkel aankan met een privéverzekering. Ze voeren actie tegen zeer duur en elitair kwaliteitsonderwijs en de tendens tot minimale publieke dienstverlening.

Indien de sterke middenveldorganisaties verdwijnen uit de beheerraden van de grote sociale instellingen, betaald met de sociale bijdragen van de werkende mensen, dan nemen de lobby’s van privéspelers hun plaats in op de markt van de gezondheidszorg, de arbeidsbemiddeling, de pensioenen. Die kunnen dan, zoals op Europees vlak, zelf op hun maat bedachte wetteksten voor de gewestregeringen schrijven. Zoals ze nu al het N-VA-programma hebben geschreven.

Het criterium om zaken op te splitsen is voor de N-VA niet rationeel, maar ideologisch, niet de goede werking maar het nationalisme. Dat is het duidelijkst bij de kinderbijslagen, de RVA en de ziekteverzekering. Die werken uitstekend en toch wil de N-VA ook die splitsen. In de gezondheidszorg is het grote gevaar dat alles nog ingewikkelder zal worden. Het gezondheidsbeheer is nu al opgesplitst en heeft liefst 8 bevoegde ministers. Hoe gaan wij de verschillen tussen al die stelsels voor geneeskundige verzorging aanpakken? Wat met de toegang tot de zorg in de verschillende gewesten, met de verschillen tussen de stelsels en met de gelijkheid tussen personen en gewesten? Waarden als billijkheid en toegankelijkheid worden bedreigd. Als het stelsel verschilt, dan zal ook de planning verschillend zijn. Het gevaar is niet denkbeeldig dat de patiënten zullen gaan shoppen van het ene naar het andere gewest. De verschillen dreigen nog groter te worden doordat de overgedragen financiële middelen (zeker die voor de ouderenzorg) niet volstaan om te beantwoorden aan de noden. Een ander ongewenst effect is dat de gewesten elkaar zullen beconcurreren om zorgverleners aan te trekken. Het is nu al geen sinecure om artsen en verpleegkundigen te vinden. Het dreigt alle kanten uit te gaan met de barema’s en de arbeidsomstandigheden. In Brussel zal men voor de rusthuizen en de ziekenhuizen twee verschillende regelingen krijgen.

N-VA stelt trouwens zelf nu al vast dat er immense problemen op komst zijn.“Vanzelfsprekend kan elke patiënt te allen tijde dringende zorg krijgen in elk Brussels ziekenhuis, ongeacht zijn SZ-stelsel. Ook voor ’niet-dringende’ ambulante en ziekenhuiszorg is de patiënt vrij in de keuze van zorgverstrekker of ziekenhuis zoals geregeld door de Europese richtlijn patiëntenmobiliteit. De terugbetaling wordt geregeld via de (sociale) verzekeringsinstelling waarbij de patiënt aangesloten is (blz. 21).” En als die sociale zekerheidsinstelling bepaalde handelingen veel minder terugbetaalt dan die van het “anderstalige” hospitaal?

Voor alle aspecten die verband houden met de werkplek of het arbeidscontract (tijdelijke werkloosheid, tijdelijke arbeidsongeschiktheid, bevallingsverlof, arbeidsongevallen, arbeidsrecht, sociaal overleg,…) gelden dezelfde rechten voor alle werknemers op dezelfde werkplek. Voor deze aspecten vallen mensen dus onder de regeling van de plaats waar ze werken (Vlaanderen, Wallonië of de regio Brussel-Hoofdstad). Net vanwege de rechtstreekse band met de werkplek, geldt hetzelfde voor het arbeidsrecht, het sociaal overleg, de loon- en arbeidsvoorwaarden en de omzetting van de internationale (Europese) normen inzake arbeidstijden, ploegen-en nachtarbeid en veiligheid op het werk (Blz. 21).” Dat betekent dat Vlamingen die in een ander gewest werken andere uitkeringen en misschien minder bevallingsverlof krijgen dan degene die in Vlaanderen werken.

Dan hebben we het nog niet over de tientallen kafkaiaanse toestanden die daaruit volgen voor in Brussel. Daar “wordt de werkgeversbijdrage voor inkomensvervangende risico’s in de regio Brussel-Hoofdstad berekend als een gewogen gemiddelde van de bijdragevoet in Vlaanderen en Wallonië (blz 21).” “Werknemers die gedeeltelijk met pensioen zijn of deels het werk hervatten (bv. via progressieve tewerkstelling) ressorteren voor hun arbeidsrelatie onder het stelsel van het werkgebied waar ze (deeltijds)werken en voor hun deeltijdse uitkering onder het stelsel van hun woongebied (blz. 21).”

6. NMBS in stukjes

De NMBS wordt niet in zes maar misschien in negen gesplitst, want geprivatiseerd. Dat zal leiden tot duurder, chaotischer en onveiliger vervoer en slechter betaalde en minder gemotiveerde werknemers.

7. Minderheden in Vlaanderen de mond gesnoerd

De minderheden in Vlaanderen worden de mond gesnoerd. “Vanzelfsprekend past het in een confederatie niet om elkaars grondgebied te betwisten. Minderheden op het grondgebied van de andere deelstaat kunnen niet worden opgezet tégen die overheid. Wanneer inwoners van de ene deelstaat naar de andere verhuizen, wordt van hen verwacht dat zij zich aanpassen, zich integreren en daartoe van overheidswege de nodige begeleiding krijgen aangeboden. Daarom is het verstandig om gefaseerd komaf te maken met de diverse faciliteitenregelingen (blz. 58).”

8. ‘Voorbeeld’ Europa misbruikt

De N-VA neemt Europa als voorbeeld om te weerleggen dat confederalisme niet werkt, maar de vergelijking tussen het confederalisme van de N-VA en dat van Europa snijdt geen hout.

Een. Europa evolueert van onafhankelijke staten naar een grote federatie. Dat is precies de tegenovergestelde weg van die van de N-VA, van eenheid naar opsplitsing en van klein naar zeer klein.

Twee. Niemand van de mensen die een efficiënt Europa willen, is voorstander van het huidige confederale model: het is nog veel meer dan België een permanente diplomatieke conferentie, log, traag.    

Drie. De N-VA stelt voor dat problemen alleen op het Europese niveau aangepakt worden, wanneer de lidstaten dat afzonderlijk minder doeltreffend kunnen doen. Ze wil zoveel mogelijk bevoegdheden nationaal houden. De tendens is wel dat meer en meer bevoegdheden naar het Europese niveau worden overgeheveld, omdat een versnipperde aanpak niet werkt. De PVDA is het totaal niet eens met de inhoud van de politiek die de Europese Unie vandaag volgt, maar we vinden wel dat maatregelen tegen de speculatie, tegen de belastingconcurrentie, tegen de concurrentie op de arbeidsmarkt, voor een miljonairstaks, voor het klimaat, enzovoorts... allemaal beter op Europees vlak worden genomen.