Foto Solidair, Salim Hellalet

Pensioenen perfect betaalbaar mits evenwaardige verdeling rijkdom

auteur: 

Kim De Witte

Kim De Witte, pensioenspecialist van de PVDA, reageert vandaag op het rapport van de Commissie Pensioenhervorming: “Het rapport steunt op een fout uitgangspunt. De pensioenen zijn perfect betaalbaar op voorwaarde dat de rijkdom evenwaardig verdeeld wordt.”Drie weken na de verkiezingen presenteert de Commissie Pensioenhervorming, de groep van wijzen die werd aangesteld door de Minister van Pensioenen, Alexander De Croo, haar aanbevelingen.

De aanbevelingen kleuren grotendeels binnen de lijntjes van het witboek van de Europese Commissie: langer werken, verlaging van een aantal wettelijke pensioenen en uitbouw van de aanvullende pensioenen. Twee aanbevelingen vallen op: de invoering van een puntensysteem voor de berekening van het pensioen en de invoering van een vermogensbelasting.

Invoering van een puntensysteem

Het eerste en meest uitgewerkte voorstel van de Commissie Pensioenhervorming is de invoering van een puntensysteem voor de berekening van het wettelijk pensioen. In plaats van pensioenrechten in euro’s, stelt de Commissie voor om pensioenrechten in punten op te bouwen. Pas bij pensionering zouden deze punten worden omgezet in euro’s. Dat systeem moet toelaten om het “financieel evenwicht” te bewaren.

In feite verschuift dit systeem het risico van de financiering van de pensioenen naar de ouderen. De sociale bijdragen op de lonen worden geblokkeerd op een welbepaald percentage. Indien de loonmassa daalt, dan daalt de waarde van een pensioenpunt. Het perverse effect is dat een economische crisis rechtstreeks gedragen wordt door de ouderen die met pensioen gaan.

Het idee is niet nieuw. Zweden voerde een gelijkaardig systeem in. De sociale bijdragen op de lonen werden geblokkeerd. Indien de inkomsten de uitgaven niet dekken, dan worden de pensioenen automatisch verlaagd. Het fenomeen deed zich voor in 2010, toen de economie in Zweden rake klappen kreeg.

Langer werken voor minder pensioen

De andere aanbevelingen van de Commissie liggen in de lijn van de pensioenhervormingen van de regering Di Rupo I. Langer werken via de optrekking van de loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen naar 44 jaar (de regering Di Rupo trok de loopbaanvoorwaarde al op van 35 naar 40 jaar) en via de optrekking van de wettelijke pensioenleeftijd naar 67 jaar (tegen 2030). Verlaging van de wettelijke pensioenen via de berekening van het ambtenarenpensioen op de totale loopbaan (de regering Di Rupo verlaagde deze pensioenen al door ze te berekenen op de laatste tien in plaats van de laatste vijf loopbaanjaren), via de verdere vermindering van bepaalde gelijkgestelde periodes (de regering Di Rupo verminderde de wettelijke pensioenopbouw al bij tijdskrediet en werkloosheid van meer dan drie jaar), via de invoering van “correctiemechanismen” bij vervroegde pensionering, ….

Eind 2011 – begin 2012 was er heel wat verzet tegen de pensioenhervormingen van Di Rupo I. “Langer werken voor minder pensioen? Neen, bedankt!”, zo klonk het in verschillende sectoren en bedrijven. Maar langer werken is toch de evidentie zelve wanneer we langer leven, horen we? Neen, de plicht tot langer werken is niet de evidentie zelve. Daarvoor zijn er drie redenen: vooreerst de grote werkloosheid, ten tweede de grote diversiteit in de levensverwachting en ten derde, de stijging van de productiviteit van arbeid. We overlopen ze kort.

Ten eerste is het niet normaal dat ouderen verplicht worden om langer te werken terwijl hun kinderen werkloos op de bank zitten. België telt meer dan 600.000 werklozen. De idee dat ouderen langer aan de slag houden, automatisch zou leiden tot meer werk voor jongeren, is in strijd met de realiteit (zie het recente onderzoek van het Steunpunt Werk en Sociale Economie aan de KU Leuven).

Ten tweede leven we niet allemaal zoveel langer. Arbeiders die werken met schadelijke producten of onder zware fysieke omstandigheden (zoals wisselende ploegen) leven 6 tot 7 jaar minder lang en 15 tot 25 jaar minder lang in goede gezondheid dan hogere bedienden of kaderleden. Dat laatste staat niet los van de verder stijgende productiviteit van arbeid. 

Tot slot moet langer leven niet automatisch leiden tot langer werken, wanneer de productiviteit van arbeid stijgt. De productiviteit van arbeid stijgt omdat we steeds meer werk verzetten met minder mensen. De herverdeling van die stijgende productiviteit stelt de vraag naar de “intragenerationale” solidariteit, dit is de solidariteit binnen de generaties (de verdeling van de welvaart tussen rijk en arm, tussen aandeelhouders en werknemers, tussen arbeid en kapitaal). 

De wettelijke pensioenen worden gefinancierd met sociale bijdragen. Deze bijdragen nemen af door de invoering van tal van loonvormen waarop geen of veel minder sociale bijdragen moeten worden betaald (activaplannen, mobiliteitspremies, bedrijfsvoertuigen, maaltijdcheques, aanvullende pensioenen, winstparticipaties, innovatiepremies, niet-recurrente resultaatsgebonden voordelen, ...). In theorie moet dat zorgen voor meer tewerkstelling en dus meer inkomsten uit arbeid. In de realiteit zorgt het voor hogere bedrijfswinsten en een afname van de inkomsten uit arbeid (zie daarover het grondige onderzoek van Réginald Savage, p. 140).

Een groeiend probleem in de financiering van de sociale zekerheid is de daling van de sociale bijdragen (zo meldt de FOD Sociale Zekerheid). Het pensioenverhaal bestaat dus niet alleen uit stijgende uitgaven, maar ook uit dalende inkomsten of bijdragen. Om die daling te compenseren, moet men op zoek naar andere manieren om de pensioenen te financieren. De liberale recepten zijn: langer werken, de wettelijke pensioenen inperken en de private pensioenen versterken. Er bestaan nochtans alternatieven.

De invoering van een vermogensbelasting

De Commissie Pensioenhervorming stelt dat ze het debat over de pensioenen wil stimuleren. Waar de Commissie gedetailleerde maatregelen voorstelt over hoe de werknemers beter moeten bijdragen, wordt de idee van een vermogensbelasting slechts vaagjes aangeraakt. Dat is jammer. Het pensioendebat is in wezen immers een debat over de verdeling van de welvaart. 

De totale welvaart groeit jaar op jaar. Maar het deel dat naar de werknemers gaat, wordt steeds kleiner (zie het bovenvermelde onderzoek van Savage). Volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing zouden de uitgaven voor de pensioenen 14,7 procent van onze jaarlijkse welvaart (BBP) bedragen in 2060. Dat is ongeveer één zevende van ons BBP voor het inkomen van ongeveer één derde van de bevolking (32,2 procent in 2060). Dat is geen absurditeit. Integendeel. Landen als Frankrijk en Oostenrijk betalen nu al zoveel voor hun wettelijke pensioenen (die natuurlijk ook een stuk hoger liggen dan in België). 

De vergrijzing is niet louter een kwestie van stijgende uitgaven, maar ook een kwestie van keuzes in ons fiscaal en sociaal beleid. Het valt te betreuren dat de wijzen in de Commissie Pensioenhervorming eerder kiezen voor meer onzekerheid en inkomensongelijkheid, dan voor meer solidariteit en het behoud van een degelijke sociale zekerheid.

Deze opinie verscheen eerder op www.deredactie.be

Commentaar toevoegen

Reacties

Hopelijk komen jullie snel in verscheidene besturen, voor het te laat is.
Ik ben een van die profiteurs die 44 jaar gewerkt heeft en nu op pensioen ben,en ik erger mij om elke dag beschimd en vernedert te worden omdat ik oud en versleten ben met hartproblemen,ik heb ook een groepsverzekering opgedrongen gekregen en moet ik daar elke maand 65 euro betalen zogezegd uit solidariteit,maar waar is dat geld gebleven dat ik te veel betaald heb door wacht te lopen,overuren te maken (was verplicht of anders ontslag,ik heb 16.820 witte overuren gemaakt),ik had omdat mijn vrouw niet kon gaan werken een BTW-nummer genomen en daar trek ik geen pensioen van(had ik het maar geweten had ik zoveel mogelijk gewerkt en dat geld wit gemaakt,er zijn in dit apeland door de politiek genoeg achterdeurtjes voor gemaakt als men de juiste kaart neemt,voorbeelden genoeg)Het is te hopen dat de gepeste gepensioneerde eens samen naar brussel trekken en ze daar eens ,zoals met de konings kwestie, op hun plaats te zetten