Pensioenkloof met buurlanden 43 procent

auteur: 

Kim De Witte

De wettelijke pensioenen in België zijn laag. Een werknemer die exact even lang gewerkt heeft en exact evenveel verdiend heeft in België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland, heeft het laagste pensioen in België. De pensioenkloof bedraagt 11 tot 43 procent. De oorzaak van het lage pensioen ligt bij de pensioenrechten, niet bij het langer of korter werken.

Download het dossier (PDF)

Samenvatting

In plaats van de wettelijke pensioenen te versterken, bouwt de regering Michel – De Wever ze verder af: de pensioenbonus is afgeschaft (179,40 euro minder pensioen per maand voor iedereen die actief blijft tot de leeftijd van 65 jaar), een aantal gelijkgestelde periodes worden afgeschaft (loopbaanonderbreking en bepaalde vormen van tijdskrediet), het gezinspensioen wordt hervormd en het ambtenarenpensioen wordt sterk afgebroken, richting het pensioen van werknemers.

De meerderheid van de Belgen houdt nochtans vast aan een goed wettelijk pensioen. Zes op de tien verkiezen een hoger wettelijk pensioen boven fiscale voordelen zoals pensioensparen. Volgens de cijfers van de Studiecommissie voor de Vergrijzing zijn onze wettelijke pensioenen wel degelijk betaalbaar. In 2060 zullen wij evenveel betalen als landen als Oostenrijk en Frankrijk nu al betalen voor hun pensioenen, namelijk ongeveer 15% van onze welvaart (bbp).

1. Een pensioenkloof met de buurlanden van 11 tot 43 procent

1.1 Wettelijke pensioenrechten

Het wettelijk pensioen van een Belgische werknemer is laag vergeleken met Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland. Maar hoe laag juist? Wat is de pensioenkloof tussen België en haar buurlanden voor iemand die exact even lang gewerkt heeft en exact evenveel verdiend heeft?

We vertrekken van een concreet voorbeeld: een mannelijke werknemer die met pensioen gaat in 2016, op 62-jarige leeftijd. De man is

  • geboren in 1954
  • beginnen te werken in 1977 (op 23-jarige leeftijd)
  • aan een eerste jaarloon van 7.500 euro (300.000 BEF in 1977)
  • met een gemiddelde loonstijging van 5 procent per jaar (2,5 procent inflatie en 2,5 procent reële loonstijging, promoties en jobwijzigingen inbegrepen)
  • met een eindloon van 45.206,24 euro per jaar (in 2015, na 38 gewerkte jaren)
  • gezinstoestand: alleenstaande

Welk recht op pensioen heeft de man opgebouwd in België, Frankrijk, Duitsland, Luxemburg en Nederland? Als we bovenstaande gegevens ingeven in de pensioenverzekering van voormelde landen, dan komen we aan de volgende maandelijkse pensioenbedragen (bruto) in de volgende landen:

België: 1.155,12 euro per maand1

Duitsland: 1.289,88 euro per maand2

Luxemburg: 1.639,82 euro per maand3

Frankrijk: 1.653 euro per maand4

Een werknemer die exact even lang gewerkt heeft en exact even veel verdiend heeft, heeft dus een wettelijk pensioen dat 11,66 procent hoger ligt in Duitsland, 41,96 procent hoger ligt in Luxemburg en 43 procent hoger ligt in Frankrijk (zie verder voor de concrete toelichting bij deze verschillen).

Ook in Nederland ligt het pensioen een heel stuk hoger. Maar de vergelijking is moeilijker. Nederland kent geen wettelijke pensioenverzekering, maar een volksverzekering (opbouw van rechten op basis van woonst, niet op basis van werk). De bovenvermelde werknemer krijgt 1.111,55 euro per maand van de volksverzekering, indien hij vijftig jaar in Nederland heeft gewoond5. Per jaar minder woonst, gaat er 2 procent af van voormeld bedrag. Daarnaast kent Nederland een verplichte aanvullende pensioenverzekering. De bovenvermelde werknemer bouwt al snel een aanvullend pensioen op van 750 euro per maand (bruto). In totaal brengt dat het Nederlands pensioen op 1.861,55 euro (bruto). Als men dat bedrag vergelijkt met de pensioenopbouw in België (wettelijk en aanvullend pensioen tesamen), dan ligt dit opnieuw een heel stuk hoger6.

1.2 Vervangingsratio’s

De pensioenkloof wordt bevestigd door een vergelijking van de vervangingsratio’s (het pensioen in verhouding tot het inkomen). Volgens het interuniversitair Consortium Vergrijzing in Vlaanderen en Europa (Convive) heeft België Europees gezien de laagste pensioenen. Een gemiddeld pensioen bedraagt bij ons maar goed de helft van een gemiddeld inkomen, terwijl dat in de ons omringende landen eerder twee derde of vier vijfde is.

Volgens de Commissie Pensioenhervorming, de expertengroep die werd samengesteld door de vorige minister van Pensioenen, ligt de geaggregeerde vervangingsratio (dit is het totale pensioeninkomen van individuen tussen 65 en 74 jaar in vergelijking met de arbeidsinkomens van mensen tussen de 50 en de 59 jaar) in België zeer laag7. In België ligt deze vervangingsratio op 44 procent. In Luxemburg is dat 74 procent, in Frankrijk 64 procent, in Oostenrijk 60 procent. Een vergelijking van de nettobedragen verhoogt het percentage voor België, maar ook voor de andere landen. De netto geaggregeerde vervangingsratio in België ligt op 60 procent. In Luxemburg is dat 82 procent, in Frankrijk 74 procent en in Oostenrijk 76 procent.

1.3 Armoede onder ouderen

De pensioenkloof wordt ook bevestigd door een vergelijking van het armoederisico van ouderen. Volgens de laatste cijfers van de Studiecommissie voor de Vergrijzing is 17,8 procent van de 65-plussers in België arm8. 15,1 procent van de gepensioneerden heeft een equivalent beschikbaar inkomen van minder 1.003 euro per maand. Bij de werkenden ligt dat percentage op 4,6 procent.

Het armoederisico van ouderen in België is een stuk hoger dan in onze buurlanden (en dan in de meeste andere Europese landen). België is bovendien het enige land waar dit risico hoger is bij ouderen dan bij kinderen. Er is een lichte daling merkbaar, net zoals in alle ons omringende landen. De kloof blijft echter zeer groot.

Het armoederisico bij ouderen in België is meer dan drie keer zo hoog als in Nederland: 17,8 procent versus 5 procent. Het is twee keer zo hoog als in Frankrijk: 17,8 procent versus 9 procent. Het is een stuk hoger dan in Duitsland: 17,8 procent versus 15 procent9.

2. De oorzaken van deze pensioenkloof

2.1 Niet de lengte van de loopbanen

Op de vraag naar de oorzaak van de lage pensioenen in België, antwoordt de minister van Pensioenen Daniël Bacquelaine (MR) steevast dat dit vooral te maken heeft met de lengte van de loopbanen.

Het bovenstaande onderzoek toont aan dat dit niet klopt. Iemand die exact even lang gewerkt heeft en exact evenveel verdiend heeft in België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland, heeft het laagste pensioen in België. Het lage pensioen heeft dan ook vooral te maken met het Belgische pensioenstelsel zelf, niet met langer of korter werken.

Dat volgt ook uit een vergelijking van de cijfers over langer werken. Volgens de laatste cijfers van Eurostat was 22,8 procent van de Belgische bevolking tussen de leeftijd van 60 en 64 jaar actief (cijfers voor 2013). In Luxemburg was dat 22,9 procent van de bevolking tussen 60 en 64 jaar, in Oostenrijk 23 procent en in Frankrijk 23,3 procent10.

2.2 Wel de pensioenwetgeving

Het Belgische pensioenstelsel is niet gunstig in vergelijking met de buurlanden. Dat geldt zeker voor werknemers, maar ook voor ambtenaren en zelfstandigen. Een werknemer die 45 jaar gewerkt heeft in België, krijgt een pensioen gelijk aan 60% van het gemiddelde inkomen. In Duitsland is dat 67 procent voor een loopbaan van 35 jaar.

In Frankrijk is de loopbaan gelijk aan 42 jaar. Het wettelijk pensioen voor werknemers bestaat uit twee delen: een basisbedrag, gelijk aan 50 procent van het loon van de 25 beste jaren, en een extra bedrag, gelijk aan een percentage van de betaalde bijdragen aan de sociale zekerheid. Het basispensioen in Frankrijk is vaak al even hoog als het wettelijk pensioen in België. Het tweede bedrag schommelt tussen de 200 en de 2000 euro (in ons voorbeeld van hierboven is het gelijk aan 560 euro per maand).

In Luxemburg is het minimumpensioen na een loopbaan van 42 jaar gelijk aan 1.639,82 euro per maand. Hogere inkomens trekken een stuk hogere wettelijke pensioenen.

3. De oplossing: investeer in sterke wettelijke pensioenen

3.1 Private pensioenen zijn ongelijk, duur, risicovol en zeer complex

In plaats van de wettelijke pensioenen te versterken, bouwt de regering Michel – De Wever ze verder af: de pensioenbonus is afgeschaft (179,4 euro minder pensioen per maand voor iedereen die actief blijft tot de leeftijd van 65 jaar), een aantal gelijkgestelde periodes worden afgeschaft (loopbaanonderbreking en bepaalde vormen van tijdskrediet), het gezinspensioen wordt hervormd en het ambtenarenpensioen wordt sterk afgebroken, richting het pensioen van werknemers.

Volgens het regeerakkoord wil de regering de bescherming tegen armoede via de wettelijke pensioenen behouden, maar de vervanging van het inkomen hoe langer hoe meer regelen via private pensioenen. Dat is een liberaal pensioenbeleid, dat onvermijdelijk leidt tot meer armoede en grotere ongelijkheid.

De private pensioenen zijn zeer ongelijk. De helft van de pensioenkapitalen gaan naar slechts vijf procent van de aangeslotenen. Managers en kaderleden bouwen miljoenen euro’s aan aanvullende pensioenrechten op, terwijl gewone werknemers het met enkele duizenden euro’s moeten doen. Een druppel op een hete plaat wanneer de facturen van zorg en gezondheid binnen stromen.

De private pensioenen zijn ook duur. Onderzoek toont aan dat verzekeraars en financiële instellingen met wel 40 procent van de opgebouwde pensioengelden gaan lopen over een hele loopbaan, voor beheers- en administratiekosten. De wettelijke pensioenen zijn op dat vlak veel goedkoper11.

De private pensioenen zijn ook niet zonder risico. In Nederland, het Walhalla van de aanvullende pensioenen, zijn de aanvullende pensioenfondsen door de crisis zwaar getroffen. Op 1 april 2013 hebben 54 pensioenfondsen pensioenverlagingen doorgevoerd tot 10%. De aanvullende pensioenopbouw voor jongere werknemers in Nederland wordt verwacht zo sterk te gaan dalen dat ze 20 tot 30% minder aanvullend pensioen zullen trekken dan de huidige 60-plussers. Ook in België vielen er klappen. Door het faillissement van de groepsverzekeraar APRA Leven zijn veel werknemers hun opgebouwde aanvullende pensioenrechten kwijt.

De private pensioenen zijn tot slot zeer complex. Wie dan al het geluk heeft om een mooi privaat pensioenkapitaal bijeen te sparen, wordt geconfronteerd met de moeilijkheid om dat kapitaal na pensionering verder te beleggen.

3.2 Een versterking van de wettelijke pensioenen is wél betaalbaar

De meerderheid van de Belgen houdt vast aan het wettelijk pensioen. Knack liet een pensioenenquête uitvoeren door Ivox eind 2013. Er werden 1.473 mensen ondervraagd, zowel Vlamingen als Franstaligen12. Zowel de Vlamingen als de Franstaligen vinden de wettelijke pensioenen te laag. Zes op de tien verkiezen een hoger wettelijk pensioen boven fiscale voordelen zoals pensioensparen (21 procent is niet akkoord en 19 procent onthoudt zich).

In 2014 nam de studiedienst van de VRT een “foto van Vlaanderen”. De belangrijkste politieke prioriteit van de Vlaming is zijn of haar pensioen. 74 procent spreekt zich uitdrukkelijk uit voor méér solidariteit. 67 procent is bang voor een te lage levensstandaard eens hij of zij met pensioen is.

Volgens de cijfers van de Studiecommissie voor de Vergrijzing zijn onze wettelijke pensioenen wel degelijk betaalbaar. In 2060 zullen wij evenveel betalen als landen als Oostenrijk en Frankrijk nu al betalen voor hun pensioenen, namelijk ongeveer 15% van onze welvaart (bbp). Is dat zo ondoenbaar? Natuurlijk niet. Het is een kwestie van keuzes in het sociaal en fiscaal beleid.

De nodige middelen voor de versterking van de wettelijke pensioenen kunnen worden opgehaald via drie maatregelen: 1° een eerlijke fiscaliteit, waarbij ook grote bedrijven en sectoren, hun belastingen betalen, 2° een miljonairstaks, waardoor de grootste vermogens een steentje bijdragen en 3° een betere strijd tegen de grote fiscale fraude, via de invoering van een vermogenskadaster, de opheffing van het bankgeheim en de zerotolerantie tegen zware inbreuken.

4. Besluit

De wettelijke pensioenen in België zijn laag. Een werknemer die exact even lang gewerkt heeft en exact evenveel verdiend heeft in België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland, heeft het laagste pensioen in België. De pensioenkloof bedraagt 11 tot 43 procent. De oorzaak van het lage pensioen ligt bij de pensioenrechten, niet bij het langer of korter werken.

In plaats van de wettelijke pensioenen te versterken, bouwt de regering Michel – De Wever ze verder af: de pensioenbonus is afgeschaft (179,4 euro minder pensioen per maand voor iedereen die actief blijft tot de leeftijd van 65 jaar), een aantal gelijkgestelde periodes worden afgeschaft (loopbaanonderbreking en bepaalde vormen van tijdskrediet), het gezinspensioen wordt hervormd en het ambtenarenpensioen wordt sterk afgebroken, richting het pensioen van werknemers.

De meerderheid van de Belgen houdt nochtans vast aan een goed wettelijk pensioen. Zes op de tien verkiezen een hoger wettelijk pensioen boven fiscale voordelen zoals pensioensparen. Volgens de cijfers van de Studiecommissie voor de Vergrijzing zijn onze wettelijke pensioenen wel degelijk betaalbaar. In 2060 zullen wij evenveel betalen als landen als Oostenrijk en Frankrijk nu al betalen voor hun pensioenen, namelijk ongeveer 15% van onze welvaart (bbp).

 

1 Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door de Rijksdienst voor Pensioenen (http://www.onprvp.fgov.be).

2 Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door de Deutsch Rentenversicherung (http://www.deutsche-rentenversicherung.de).

3 Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door de Caisse nationale d’assurance pension (http://www.cnap.lu/prestations/en-cas-de-vieillesse/calcul-du-montant-de-la-pension/).

4 Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door Centrale infobank op http://www.la-retraite-en-clair.fr/pid1197/calculez-votre-retraite.html.

5 Berekend op basis van de huidige toepasselijke pensioenwetgeving, zoals beschreven door de Sociale verzekeringsbank (http://www.svb.nl/int/nl/aow/hoogte_aow/bedragen/index.jsp).

6 In België zijn de meerderheid van de aanvullende pensioenen niet verplicht. De opgebouwde pensioenkapitalen liggen ook een heel stuk lager dan in Nederland. Volgens de laatste cijfers van Sigedis, de centrale gegevensbank die de aanvullende pensioenen opvolgt, ligt het gemiddelde opgebouwde pensioenkapitaal in België momenteel rond de 8.000 euro. Dat geeft recht op een maandelijkse pensioenrente van om en bij de 50 euro (omzetting via spreiding van het kapitaal over 15 jaar, gedeeld door 12 maanden). Dat is een fractie van de aanvullende pensioenrentes in Nederland.

7 Commissie Pensioenhervorming 2020-2040, Een sterk en betrouwbaar sociaal contract, algemeen rapport, p. 22 (zie http://pensioen2040.belgie.be/nl/).

8 Studiecommissie voor de Vergrijzing, Jaarverslag 2014, p. 36-37 (zie http://www.plan.be/admin/uploaded/201407101002490.REP_CEVSCVV2014_10806_N.pdf).

9 Studiecommissie voor de Vergrijzing, Jaarverslag 2014, p. 51.

10 Zie Eurostat, via http://appsso.eurostat.ec.europa.eu/nui/submitViewTableAction.do?dvsc=9.

11 J. PACOLET en T. STRENGS, Pensioenrendement vergeleken - Vergelijking van de performantie van de eerste versus de tweede en derde pensioenpijler, HIVA, 2009, 115.

12 Zie J. Zuallaert en P. Martens, “De grote Knack-pensioenenquête – Langer werken, maar niet van harte”, Knack 13 november 2013, 22-25.