PVDA-studie :: Regering halveert de pensioenbonus: werken tot 65 = elke maand 78 euro pensioen verliezen

1. Situering.

Twee weken geleden pakte minister van Pensioenen Alexander De Croo uit met een nieuwe maatregel die “belangrijke gevolgen zou hebben voor de berekening van uw wettelijk pensioen” (zie De Tijd van 2 december 2013). Het wettelijk pensioen voor werknemers zou stijgen omdat voortaan elke dag mee in rekening zou worden genomen bij de berekening van het pensioen. De maatregel zou ook het langer werken stimuleren. Zij werd goedgekeurd op de ministerraad van 19 december 2013. De studiedienst van de PVDA hield deze maatregel tegen het licht, samen met een andere maatregel, die enkele maanden eerder in stilte werd doorgevoerd, namelijk een wijziging van de pensioenbonus vanaf 1 januari 2014. Wat blijkt nu? Het wettelijk pensioen gaat achteruit voor werknemers die actief blijven tot de leeftijd van 65 jaar.

I. Halvering van de pensioenbonus

2. De huidige pensioenbonus.

De wet van 23 december 2005 betreffende het Generatiepact installeerde de zogenaamde pensioenbonus. Deze bonus verhoogt het wettelijk pensioen voor werknemers die na de leeftijd van 62 jaar of na een loopbaan van 44 kalenderjaren actief blijven. Deze maatregel diende om de bittere pil van de afbouw van het brugpensioen door te spoelen.

Het bedrag van de bonus werd vastgelegd op 2 euro per effectief gepresteerde werkdag (te indexeren, waardoor de bonus nu op ongeveer 2,30 euro ligt). Dat zorgt voor een mooi extraatje in het wettelijk pensioenpotje van werknemers. Voor iemand die actief blijft tot de leeftijd van 65 jaar, levert de pensioenbonus een extra pensioen op van 2.152,80 euro bruto per jaar of 179,40 euro bruto per maand (= 3 jaar x 312 bonusdagen x 2,30 euro).

3. De nieuwe pensioenbonus.

Vanaf 1 januari 2014 wordt de pensioenbonus herzien[1]. De nieuwe pensioenbonus zal slechts toegekend worden vanaf de leeftijd van 63 jaar (in plaats van 62 jaar) en verminderd worden naar 1,50 euro tussen de leeftijd van 63 en 64 jaar en 1,70 euro tussen de leeftijd van 64 en 65 jaar. Voor wie actief blijft tot aan de leeftijd van 65 jaar, levert de nieuwe pensioenbonus een extra pensioen op van 998,40 euro bruto per jaar of 83,20 euro bruto per maand (= 1 jaar x 312 bonusdagen x 1,50 euro + 1 jaar x 312 bonusdagen x 1,70 euro). Dat is bijna 100 euro per maand minder dan het vroegere systeem.

De nieuwe regeling voorziet naast een verlaging van de pensioenbonus voor werknemers die actief blijven tot aan de leeftijd van 65 jaar, ook een verhoging van de pensioenbonus voor mensen die actief blijven ná de leeftijd van 65 jaar (de pensioenbonus stijgt naar 2,50 euro per dag voor mensen die actief blijven tot 70 jaar). In theorie wordt de pensioenbonus dan ook verhoogd, maar in de praktijk is dat natuurlijk boerenbedrog. De overgrote meerderheid van de werknemers kán gewoon niet actief blijven na de leeftijd van 65 jaar (omdat er eenvoudigweg geen werk is voor hen of omdat men is op gewerkt…, zie hieronder). Ook de regering weet dat, want zij rekent erop dat de wijziging van de pensioenbonus een jaarlijkse besparing zal opleveren die toeneemt in de tijd. De Studiecommissie voor de Vergrijzing op begroot die besparing op ongeveer 40 miljoen euro in 2015 (0,1 procent van de uitgaven voor de wettelijke pensioenen), 275 miljoen euro in 2020 (0,6 procent van de uitgaven voor de wettelijke pensioenen) en 1 miljard euro in 2030 (1,6 procent van de uitgaven voor de wettelijke pensioenen)[2]

II. Verhoging van het wettelijk pensioen door nieuwe berekeningswijze

4. De huidige regeling.

Naast de verlaging van de pensioenbonus, die in alle stilte werd doorgevoerd, kondigde de minister van Pensioenen een maatregel aan die “belangrijke gevolgen zou hebben op de berekening van het wettelijk pensioen” (zie De Tijd van 2 december 2013). Momenteel wordt het wettelijk pensioen berekend in jaren. De pensioenbreuk ligt op 45 jaar. Elk jaar wordt 1/45ste van je inkomen uit arbeid op je wettelijke pensioenrekening geschreven. Iemand die 40 jaar werkt, heeft 40 bedragen op zijn pensioenrekening staan. Bij pensionering worden deze bedragen opgeteld en vermenigvuldigd met 60% voor alleenstaanden- of 75% voor gezinspensioenen. Dat is het pensioen waar men jaarlijks recht op heeft.

Wanneer iemand méér dan 45 jaren werkt, dan tellen enkel de 45 jaren met het hoogste inkomsten uit arbeid mee. De jaren met het laagste inkomen (doorgaans aan het begin van de loopbaan) komen te vervallen. Dit principe wordt door de laatste maatregel van de regering-Di Rupo herzien.

5. De nieuwe regeling.

De nieuwe regeling berekent het wettelijk pensioen niet meer op basis van het aantal gewerkte jaren, maar op basis van het aantal gewerkte dagen. Een voltijdse loopbaan van 45 jaar bestaat uit 14.040 werkdagen (45 jaar x 312 dagen). Zolang iemand minder dan 14.040 werkdagen (VTE’s) gepresteerd heeft, zal hij of zij wettelijk pensioen opbouwen. Deze maatregel verhoogt het wettelijk pensioen voor mensen die meer dan 45 jaar actief zijn. De verhoging hangt af van het inkomen dat men 45 jaar geleden verdiend heeft. Bij een inkomen uit arbeid aan het begin van de loopbaan van 25.000 euro bruto per jaar bouwt een werknemer een wettelijk pensioen op van 333 euro bruto per jaar of 27,78 euro bruto per maand (= 25.000 euro / 45 x 60% / 12 maanden). Maar opdat deze maatregel enig effect zou hebben, moet men wel meer dan 45 jaar actief zijn. En dat is voor bijna niemand het geval.

Daarnaast maakt de nieuwe berekeningswijze het mogelijk om de werkdagen die gepresteerd werden tijdens het jaar van pensionering, mee te nemen in de berekening van het wettelijk pensioen. Dat is nu niet het geval. Iemand die 65 jaar wordt in augustus kan in september met pensioen gaan. Maar de arbeidstijd tussen januari en september telt niet mee voor de berekening van het wettelijk pensioen. Doorgaans blijven de mensen die op het einde van het kalenderjaar verjaren, dan ook actief tot aan het begin van het volgende kalenderjaar. Maar dat is niet voor iedereen mogelijk. Voor hen zorgt de nieuwe regeling dan ook voor een verhoging van het wettelijk pensioen die gemiddeld 22 euro per maand bedraagt (afhankelijk van de dag waarop men verjaart en van het loon dat men verdient: indien men verjaart op 1 juli en men 40.000 euro bruto per jaar verdient, dan betekent de regeling een verhoging van het wettelijk pensioen met 22 euro per maand = 40.000 euro / 2 x 1/45 x 60%).

III. Besluit

6. De broekzak-vestzak-operaties van de regering-Di Rupo.

De nieuwe berekeningswijze van het wettelijk voor werknemers kan een verhoging met zich meebrengen voor bepaalde nieuwe gepensioneerden. De omvang van de verhoging hangt af van het ogenblik waarop men verjaart en zou gemiddeld 22 euro per maand bedragen. Voor mensen die méér dan 45 jaar actief zijn, zit er daarnaast nog een extra verhoging in (van ongeveer 28 euro per maand). Maar deze verhogingen zijn veel kleiner dan de verlaging van het wettelijk pensioen door de wijziging van de pensioenbonus (verlaging met ongeveer 100 euro per maand). De regering geeft met haar ene hand een deeltje terug van wat ze enkele maanden eerder met haar andere hand genomen heeft. Gemiddeld verlagen de wettelijke pensioenen voor alle werknemers die actief blijven tot de leeftijd van 65 jaar met 78 euro. De dupe van de hele operatie is opnieuw de gewone man, die niet in de mogelijkheid verkeert om meer dan 45 jaar actief te zijn op de arbeidsmarkt of verder te werken na zijn 65ste levensjaar.

7. De ongelijkheid van het langer werken.

De regering verhoogt het wettelijk pensioen voor wie blijft werken na de leeftijd van 65 jaar. Maar ze rekent er meteen op dat slechts weinig mensen daartoe in staat zullen zijn (de hervorming van de pensioenbonus moet immers een jaarlijkse besparing opleveren die door de Studiecommissie voor de Vergrijzing begroot wordt op ongeveer 40 miljoen euro in 2015, 275 miljoen euro in 2020 en 1 miljard euro in 2030[3]. De maatregel versterkt de ongelijkheid. Het verschil in levensverwachting tussen de hoogste en de laagste socio-economische groepen in de samenleving bedraagt nog steeds meer dan 7,5 jaar voor mannen en 6 jaar voor vrouwen[4]. Waar deze verschillen de neiging hadden te krimpen in de eerste vier decennia na WO II, nemen ze nu terug toe[5]. De levensverwachting als dusdanig zegt bovendien nog niets over de kwaliteit van de geleefde jaren. Nog veel meer dan bij de gewone levensverwachting, wordt de gezonde levensverwachting bepaald door de socio-economische groep waar iemand toe behoort. In 2004 lag de gezonde levensverwachting voor een 25-jarige man die hoger onderwijs gevolgd had op 71,33 jaar[6]. Voor een man die middelbaar onderwijs gevolgd had, lag die op 66,54 jaar. Voor een man die lager middelbaar onderwijs gevolgd had, was dat 64,71 jaar. Voor een man die lager onderwijs gevolgd had, was dat 61,65 jaar en voor mannen die geen enkel onderwijs gevolgd hadden, was dat 52,75 jaar. Voor vrouwen lagen die cijfers respectievelijk op 72,1 jaar, 66,24 jaar, 67,01 jaar, 61,27 jaar en 53,92 jaar[7]. Het verschil in gezonde levensverwachting tussen de hoogste en de laagste socio-economische groepen in de samenleving bedraagt dus meer dan 18 jaren, zowel voor vrouwen als voor mannen[8]. Verscheidene onderzoeken komen tot gelijkaardige resultaten[9].

Tabel 1 - Gezonde levensverwachting in België (voor mannen en vrouwen van 25 jaar in 2004)

 MannenVrouwen
Hoger onderwijs171,3372,1
Middelbaar onderwijs66,5466,24
Lager middelbaar onderwijs64,7167,01
Lager onderwijs61,6561,27
Zonder diploma52,7553,92
Totaal65,4765,42

 

[1]                Dit wil zeggen een masterdiploma of gelijkwaardig (H. Van Oyen, P. Deboosere, V. Lorant, R. Charafeddine (eds.), Sociale ongelijkheden in gezondheid in België, Gent, Academia Press, 2011, 34-36).

 

Bron: H. Van Oyen, P. Deboosere, V. Lorant en R. Charafeddine (eds.), Sociale ongelijkheden in gezondheid in België, Gent, Academia Press, 2011, 34-36.

 

 

[1]                Artikelen 65-66 en 112-113 van de Programmawet van 28 juni 2013 (B.S. 1 juli 2013) en artikelen 3-5 van het KB van 24 oktober 2013 tot uitvoering, inzake de pensioenbonus van de werknemers, van artikel 7bis van de wet betreffende het generatiepact van 23 december 2005 (B.S. 6 november 2013).

[2]                Studiecommissie voor de vergrijzing, Jaarlijks verslag, juli 2013, p. 82, verslag te vinden op de website van het planbureau (http://www.plan.be/publications/publication.php?lang=nl&TM=65&IS=63).

[3]                Studiecommissie voor de vergrijzing, Jaarlijks verslag, juli 2013, p. 82, verslag te vinden op de website van het planbureau (http://www.plan.be/publications/publication.php?lang=nl&TM=65&IS=63).

[4]                Vrouwen die enkel middelbaar onderwijs volgden, sterven gemiddeld 1,5 jaar vroeger dan hooggeschoolde vrouwen. Vrouwen die enkel lager middelbaar onderwijs volgden, sterven gemiddeld bijna 2 jaar vroeger. Vrouwen die enkel lager onderwijs beëindigd hebben, sterven gemiddeld bijna 4 jaar vroeger. En vrouwen die geen enkel onderwijs volgden, sterven gemiddeld 6 jaar vroeger (cijfers voor vrouwen die in 2001 de leeftijd van 25 jaar bereikt hebben). Bron: H. Van Oyen, P. Deboosere, V. Lorant, R. Charafeddine (eds.), Sociale ongelijkheden in gezondheid in België, Gent, Academia Press, 2011, 21-22.

[5]                Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV), Centre d’Etudes socioéconomiques de la Santé (SESA) van de Université Catholique de Louvain (UCL) en Steunpunt Demografie van de VUB, Tackling Health Inequalities in Belgium, Studie uitgevoerd voor rekening van de Programmatorische Federale Overheidsdienst Federaal Wetenschapsbeleid, 2010, 47p. (raadpleegbaar op http://www.kbs-frb.be). Ondanks de vele cijfers die terug te vinden zijn in de literatuur, is verder onderzoek over de invloed van het werk op de gezondheid van de werknemers en hun levensverwachting in België zeker aangewezen.

[6]                De gezondheidsverwachting is een generieke term die een familie van indicatoren omvat. Een voorbeeld van dergelijke indicator is het aantal jaren dat een persoon gemiddeld mag verwachten te leven zonder beperkingen (disability-free life expectancy). Dat is het criterium dat in onderstaande studie gehanteerd wordt. Beperkingen worden daarbij gedefinieerd op basis van 1° zeven activiteiten van het dagelijkse leven (uit bed komen of in bed gaan liggen, op een stoel gaan zitten en weer opstaan, zich aankleden, de handen en het gezicht wassen, zich voeden, naar het toilet gaan, continentie), 2° mobiliteit en 3° de zintuiglijke functies zien en horen. Een persoon heeft matige of ernstige beperkingen wanneer hij/zij moeite heeft met minstens één van die zeven activiteiten van het dagelijks leven. Iemand is beperkt mobiel als hij/zij niet in staat is om minimaal 200 meter te stappen. Het zicht werd beoordeeld op basis van het vermogen om iemand te herkennen op 4 tot 1 meter afstand, terwijl het gehoor beoordeeld werd op basis van het vermogen om een tv-programma te volgen op een hoger volume dan voor anderen aanvaardbaar is (H. Van Oyen, P. Deboosere, V. Lorant, R. Charafeddine (eds.), Sociale ongelijkheden in gezondheid in België, Gent, Academia Press, 2011, 29-30).

[7]                H. Van Oyen, P. Deboosere, V. Lorant en R. Charafeddine (eds.), Sociale ongelijkheden in gezondheid in België, Gent, Academia Press, 2011, 34-36.

[8]                De ziektes die het meest tot deze ongelijkheden in jaren in goede gezondheid bijdragen zijn hart- en vaatziektes, respiratoire ziektes (astma, chronische obstructieve longziektes) en slepende ziektes, vooral artritis en rugpijn (W. Nusselder, C. Looman, J. Mackenbach, M. Huisman, H. Van Oyen, P. Deboosere, S. Gadeyne en A. Kunst, The contribution of specific diseases to educational disparities in disability-free life expectancy, American Journal of Public Health 2005, 95(11), 2035-2041).

[9]                Voor vrouwen kwamen Bossuyt e.a. zelfs tot een onderscheid van 25 jaar in gezonde levensverwachting tussen de hoogste en de laagste socio-economische groep (N. Bossuyt, S. Gadeyne, P. Deboosere en H. Van Oyen, Socioeconomic inequalities in health expectancy in Belgium, Public Health 2004, 118(1), 3-10).

[10]               Dit wil zeggen een masterdiploma of gelijkwaardig (H. Van Oyen, P. Deboosere, V. Lorant, R. Charafeddine (eds.), Sociale ongelijkheden in gezondheid in België, Gent, Academia Press, 2011, 34-36).