Foto Solidair, Salim Hellalet

Studie: Ambtenaren moeten langer werken voor 300 euro minder pensioen

auteur: 

Kim De Witte

De regering hervormt de ambtenarenpensioenen. In wezen worden ze afgebouwd tot op het niveau van het pensioen voor werknemers. Maar die pensioenen zijn veel te laag. De pensioenkloof tussen België en zijn buurlanden loopt op tot 40 procent. In plaats van daar iets aan te doen, verlaagt de regering de ambtenarenpensioenen. Andere keuzes zijn mogelijk en nodig.

1        Hervorming van de ambtenarenpensioenen.
1.1     Afschaffing diplomabonificaties: 106,49 euro minder pensioen per maand.
1.2     Optrekking van alle tantièmes naar 60: 239,85 euro minder pensioen per maand.
1.3     Afschaffing pensioenbonus: 187,20 euro minder pensioen per maand.
1.4     Niet meer laten meetellen van contractuele tewerkstelling: in de pijplijn.
1.5     Berekening van het pensioen op langere loopbaan: in de pijplijn.
1.6     Afschaffing gelijkgestelde periode: in de pijplijn.
1.7     Impact voor gewone ambtenaar: enkele concrete voorbeelden.

2        ‘Contractbreuk’, ‘onteigening’ en ‘schending grondrecht’
2.1     ‘Contractbreuk’ voor de gewone ambtenaar.
2.2     ‘Onteigening’ volgens Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
2.3     ‘Schending grondrecht’ volgens de Raad van State.

3        Andere wettelijke pensioenen omhoog, ambtenaren niet omlaag.
3.1     Pensioenkloof met onze buurlanden zal groeien.
3.2     Fatsoenlijke pensioenen voor iedereen zijn wél betaalbaar.

4        Besluit

Samenvatting

De regering hervormt de ambtenarenpensioenen. Het regeerakkoord voorziet vier specifieke maatregelen die deze pensioenen afbouwen: de afschaffing van de diplomabonificaties, de optrekking van alle tantièmes naar 60, het niet meer laten meetellen van de contractuele tewerkstelling voor de berekening van het pensioen en de berekening van het pensioen op een langere loopbaan. De uitvoering van de eerste twee maatregelen werd beslist op het laatste begrotingsconclaaf en meegedeeld afgelopen weekend. De uitvoering van de laatste twee maatregelen zit nog in de pijplijn. Deze vier maatregelen komen bovenop nog twee andere maatregelen: de afschaffing van de pensioenbonus en de afschaffing van pensioenopbouw bij loopbaanonderbreking.

De impact van deze hervorming is verregaand. Het ambtenarenpensioen wordt in wezen afgebouwd tot op het niveau van het pensioen voor werknemers. Maar die pensioenen zijn veel te laag. De pensioenkloof tussen België en zijn buurlanden loopt op tot 40 procent. Bijna een op de vijf ouderen in België zit ook nog onder de armoedegrens. In Frankrijk is dat een op de tien. In Nederland een op de twintig. In plaats van daar iets aan te doen, verlaagt de regering het pensioen van postbode Jef, cipier Dirk en federaal ambtenaar Stijn (zie de concrete berekeningen hieronder). Deze hervorming kan worden beschouwd als een contractbreuk of een onteigening van opgebouwde rechten voor de ambtenaren. Andere keuzes zijn mogelijk en nodig.

1. Hervorming van de ambtenarenpensioenen

De regering wil het wettelijk pensioen van de ambtenaren “harmoniseren” met de stelsels van de privésector. Concreet gaat het over de verlaging van het ambtenarenpensioen naar dat van de werknemers en kleine zelfstandigen. Het regeerakkoord voorzag reeds vier maatregelen die het ambtenarenpensioen inperken: de afschaffing van de diplomabonificaties, de berekening van alle ambtenarenpensioenen op basis van het tantième 1/60ste (met bepaalde uitzonderingen voor zware beroepen), het niet meer laten meetellen van de contractuele tewerkstelling voor de berekening van het ambtenarenpensioen en de berekening van het ambtenarenpensioen op een langere loopbaan (in plaats van de laatste 10 jaar)[1]. De invoering van de eerste twee maatregelen werd beslist op het laatste begrotingsconclaaf en bekendgemaakt op zaterdag 9 april 2016. De volgende twee maatregelen zitten nog in de pijplijn. Deze vier maatregelen komen boven de afschaffing van de pensioenbonus en de afschaffing van de pensioenopbouw bij loopbaanonderbreking. De impact van de maatregelen gaat ver, zo bewijzen de concrete berekeningen hieronder.

1.1 Afschaffing diplomabonificaties: 106,49 euro minder pensioen per maand

Het niet meer laten meetellen van de studiejaren voor de berekening van het pensioen van ambtenaren (ook wel de diplomabonificatie genoemd), heeft tot gevolg dat de aanneembare dienstjaren verminderen. Het pensioen van een ambtenaar wordt berekend door het aantal aanneembare dienstjaren te delen door 60 (dit is het tantième, dat voor bepaalde beroepen lager ligt) en te vermenigvuldigen met de referentiewedde (dit is de gemiddelde wedde van de laatste jaren). Indien een ambtenaar bijvoorbeeld 40 aanneembare dienstjaren heeft, waarvan 4 bonificatiejaren voor hogere studies, dan zal de afschaffing van de bonificatiejaren leiden tot een breuk van 36/60 in plaats van 40/60. Het pensioen wordt dan berekend door de referentiewedde te vermenigvuldigen met 60% (=36/60) in plaats van 66,66% (=40/60).

Foto Solidair, Salim Hellalet

Voor een gemiddeld ambtenarenpensioen betekent dat een vermindering van het pensioen met 106,49 euro netto per maand (volgens het Centrum voor Sociologisch onderzoek van de KU Leuven is het gemiddelde pensioen van ambtenaren gelijk aan 1.599 euro netto[2]). Voor ambtenaren met een tantième van 55, is de vermindering nog groter. Volgens de ACOD komt de afschaffing van de diplomabonificatie voor een onderwijzer in het secundair onderwijs met een masterdiploma, neer op een vermindering van het pensioen met 140,21 euro netto per maand[3].

1.2 Optrekking van alle tantièmes naar 60: 239,85 euro minder pensioen per maand

De verlenging van het tantième naar 60 heeft een gelijkaardig effect als de afschaffing van de diplomabonificaties. Ambtenaren met een tantième van 48 hebben een volledig pensioen opgebouwd na 36 dienstjaren (36/48 = 75%, dit is het maximumpercentage van de referentiewedde voor het wettelijk pensioen van ambtenaren). De omzetting naar een tantième van 60, betekent in voorkomend geval een verlaging van het pensioen met 15% (36/60 = 60%).

Voor een gemiddeld ambtenarenpensioen zou zo’n operatie, zonder prestatie van bijkomende dienstjaren, neerkomen op een vermindering van het pensioen met 239,85 euro netto per maand (vertrekkende van het gemiddeld ambtenarenpensioen van 1.599 euro netto per maand).

1.3 Afschaffing pensioenbonus: 187,20 euro minder pensioen per maand

De wet van 23 december 2005 betreffende het Generatiepact installeerde de zogenaamde pensioenbonus. Deze bonus verhoogde het wettelijk pensioen voor ambtenaren, werknemers en zelfstandigen die na de leeftijd van 62 jaar of na een loopbaan van 44 kalenderjaren actief bleven. De maatregel diende om de bittere pil met betrekking tot de afbouw van het brugpensioen door te spoelen.

Het bedrag van de bonus werd op 2 euro per effectief gepresteerde werkdag gelegd (te indexeren, waardoor ze aangroeide tot ongeveer 2,30 euro per werkdag). Dat zorgde voor een mooie duit extra in het wettelijk pensioenpotje. Voor een werknemer of zelfstandige die actief bleef tot de leeftijd van 65 jaar, leverde de bonus een extra pensioen op van 2.152,80 euro bruto per jaar of 179,40 euro bruto per maand (= 3 jaar x 312 bonusdagen x 2,30 euro).

Met ingang van 1 januari 2014 werd de pensioenbonus hervormd (door de regering-Di Rupo)[4]. De nieuwe pensioenbonus werd pas toegekend vanaf 63 jaar (in plaats van 62 jaar) en verminderd naar 1,50 euro tussen de leeftijd van 63 en 64 jaar en 1,70 euro tussen de leeftijd van 64 en 65 jaar, 1,90 euro tussen de leeftijd van 65 en 66 jaar, 2,10 euro tussen de leeftijd van 66 en 67 jaar, 2,30 euro tussen de leeftijd van 67 en 68 en 2,50 euro voor alle jaren boven de leeftijd van 68 jaar. Voor wie actief blijft tot aan de leeftijd van 65 jaar, leverde de nieuwe pensioenbonus een extra pensioen op van 83,20 euro bruto per maand. Voor wie actief bleef tot de leeftijd van 67 jaar leverde de nieuwe pensioenbonus een extra pensioen op van 187,20 euro bruto per maand.

De regering-Michel schafte de pensioenbonus af met ingang op 1 januari 2015. De afschaffing van de pensioenbonus betekent dat alle ambtenaren die actief blijven tot 67 jaar maar liefst 187,20 euro minder pensioen trekken (bruto).

1.4 Niet meer laten meetellen van contractuele tewerkstelling: in de pijplijn

Bij tal van overheidsdiensten bestaat de gewoonte om ambtenaren tijdens de eerste jaren van hun loopbaan tewerk te stellen als contractuelen. Bij de benoeming nadien als ambtenaar (ook wel “statutarisering” genoemd), worden de pensioenrechten die werden opgebouwd tijdens de contractuele tewerkstelling, herrekend volgens de regels van het ambtenarenpensioen. De afschaffing van dit systeem is opnieuw verregaand. Het ambtenarenpensioen is beter om twee redenen. Vooreerst wordt het pensioen berekend op de wedde van de laatste tien jaar (bij werknemers wordt het pensioen berekend op het gemiddelde loon, wat in de regel een stuk lager is dan het loon van de laatste tien jaar). Ten tweede is het pensioen voor ambtenaren bij een volledige loopbaan gelijk aan 75% van de wedde tijdens de laatste tien jaar (bij werknemers is het pensioen slechts gelijk aan 60% van het gemiddelde loon). De concrete impact van deze maatregel hangt volledig af van de duur van de contractuele tewerkstelling en de wedde van de betrokkene, maar zij kan oplopen tot meerdere honderden euro’s per maand.

1.5 Berekening van het pensioen op langere loopbaan: in de pijplijn

De regering-Di Rupo verminderde het pensioen van de ambtenaren al door het te berekenen op de gemiddelde wedde van de laatste tien in plaats van de laatste vijf dienstjaren (voor alle ambtenaren jonger dan 50 jaar in 2012). De huidige regering wil daar nog een serieuze schep bovenop doen. Het berekenen van het ambtenarenpensioen op meer dienstjaren heeft voor gevolg dat de referentiewedde verder vermindert. De juiste omvang van die vermindering hangt af van de evolutie van de wedde van de ambtenaar tijdens de laatste dienstjaren. Stel dat de regering het pensioen van ambtenaren in de toekomst zou laten berekenen op basis van de twintig laatste loopbaanjaren. Indien we ervan uitgaan dat de ambtenaar geen promotie meer maakt tijdens de laatste twintig dienstjaren, dan ligt het pensioen berekend op basis van de gemiddelde wedde van de twintig laatste dienstjaren tot 12% lager dan het pensioen berekend op basis van de gemiddelde wedde van de vijf laatste dienstjaren (berekening aan de hand van de reële weddenschalen van federale ambtenaren).

Foto Solidair, Karina Brys

Een daling van 12% is voor een gemiddeld ambtenarenpensioen van 1.599 euro netto gelijk aan 191,88 euro per maand. Indien de ambtenaar wel nog promotie zou maken tijdens de laatste twintig dienstjaren, dan is de impact van deze maatregel nog veel groter. Alles hangt af van de evolutie die de wedde tijdens de laatste dienstjaren zou maken. Een daling van het pensioen met 25% ten gevolge van deze maatregel is niet uitgesloten.

1.6 Afschaffing gelijkgestelde periode: in de pijplijn

De regering wil ook sleutelen aan de gelijkgestelde periodes voor de berekening van het pensioen. De gelijkstelling voor loopbaanonderbreking wordt afgeschaft (zie punt 2.5 van het regeerakkoord).

De pensioenopbouw tijdens periodes van loopbaanonderbreking gebeurde vroeger op basis van het laatste loon. De regering-Di Rupo herleidde die basis tot het zogenaamde minimumrecht per loopbaanjaar (gelijk aan 22.189,36 euro). Het opgebouwde pensioen gedurende één jaar vertrekkende van het minimumrecht per loopbaanjaar is gelijk aan 22.189,36 euro x 1/45 x 60% = 295,86 euro op jaarbasis of 24,65 euro per maand (brutobedragen).

De volledige afschaffing van de gelijkstelling voor de loopbaanonderbreking betekent een daling van de pensioenrechten voor de betrokkenen met 24,65 euro bruto per maand (sinds de regering Di Rupo is de loopbaanonderbreking en het tijdskrediet dat niet specifiek gemotiveerd is, nog maximaal gelijkgesteld gedurende één jaar).

1.7 Impact voor gewone ambtenaar: enkele concrete voorbeelden

De Algemene Centrale voor de Openbare Diensten (ACOD) berekende de impact van deze pensioenhervorming voor enkele zeer concrete gevallen.

Jef, postbode, 41 jaar oud: volgens de huidige pensioenregels heeft hij na een loopbaan van 40 jaar recht op een pensioen van 1.584 euro per maand (netto); door de pensioenmaatregelen van de regering verliest hij 329 euro per maand. 

 

Dirk, cipier, 50 jaar oud: nu heeft hij na een loopbaan van 40 jaar recht op een pensioen van 1.567 euro per maand (netto); door de pensioenmaatregelen van de regering verliest Dirk 194 euro per maand.

 

Kurt, cipier ploegchef, 44 jaar oud: nu heeft hij na een loopbaan van 40 jaar recht op een pensioen van 1.667 euro per maand (netto); door de pensioenmaatregelen van de regering verliest Kurt 276 euro per maand.

 

Stijn, federaal ambtenaar (niveau C), 30 jaar oud: nu heeft hij na een loopbaan van 40 jaar recht op een pensioen van 1.457 euro per maand (netto); door de pensioenmaatregelen van de regering verliest Stijn 174 euro per maand.

2  ‘Contractbreuk’, ‘onteigening’ en ‘schending grondrecht’

2.1 ‘Contractbreuk’ voor de gewone ambtenaar

Een postman, een brandweerman, een politieman, een cipier, een verpleegster in een openbaar ziekenhuis … hebben allemaal voor hun job gekozen in de wetenschap dat daar een bepaalde wedde tegenover stond. De directe wedde, die men krijgt op het einde van elke maand, en de ‘indirecte’, ‘uitgestelde’ of ‘voortgezette’ wedde, die men krijgt via de sociale zekerheid.

De belangrijkste ‘indirecte’ wedde voor de postman, de brandweerman, de cipier, de verpleegster … is zijn of haar pensioen. Het recht op dit pensioen wordt jaar na jaar opgebouwd. Maar door de hervorming van de regering worden opgebouwde rechten terug afgepakt. Dat gebeurt bijvoorbeeld met de diplomabonificaties. Op enkele uitzonderingen na (de oudste ambtenaren) zullen deze bonificaties worden ingetrokken zonder enige vergoeding. Gemiddeld betekent dat 106,49 euro minder pensioen per maand (netto).

2.2 ‘Onteigening’ volgens Europees Hof voor de Rechten van de Mens

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kwalificeert verworven rechten op pensioen als ‘eigendom’ (eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). De opgebouwde rechten zijn van jou, net zoals jouw huis of het geld op jouw bankrekening.

Men kan die rechten niet zomaar afpakken. Verschillende landen, waaronder België, zijn al op die basis veroordeeld[5]. De overheid moet 'dwingende redenen' hebben om bestaande rechten te onteigenen. Er mogen geen alternatieven bestaan en de gevolgen voor de getroffenen moeten zo beperkt mogelijk zijn.

2.3 ‘Schending grondrecht pensioen’ volgens de Raad van State

De Europese verdragen beschouwen het pensioen als een ‘sociaal grondrecht’. En België verbond zich tot de 'progressieve verwezenlijking' en de 'geleidelijke verhoging' van de sociale rechten (in het Europees Sociaal Handvest en in het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele Rechten). Dat betekent dat bestaande rechten niet mogen worden afgebroken. In vakjargon ook wel de 'standstill-verplichting' genoemd. Het bestaande niveau van sociale bescherming mag niet zakken. De standstill-verplichting heeft als doel een spiraal van sociale afbraak tussen de verschillende lidstaten te vermijden.

Het Comité voor Economische, Sociale en Culturele rechten herhaalt in Comment nr. 19 van 4 februari 2008 dat de lidstaten een "obligation to respect" hebben, namelijk een plicht om de bestaande rechten op sociale zekerheid te beschermen.

Volgens het Grondwettelijk Hof wordt de standstill-verplichting geschonden bij een ‘aanzienlijke achteruitgang’ van de sociale bescherming. De vraag is dan ook of de hervorming van de ambtenarenpensioenen een aanzienlijke achteruitgang uitmaakt?

Foto Solidair, Karina Brys

Volgens de Raad van State alvast wel. De Raad moest haar advies geven op het wetsontwerp tot verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd en de verstrenging van het vervroegd pensioen voor alle werknemers, ambtenaren en zelfstandigen in België. Volgens de Raad was deze hervorming alleen al een ‘aanzienlijke achteruitgang’ van het recht op sociale zekerheid.

Die aanzienlijke achteruitgang blijkt ook uit de cijfers van de Studiecommissie voor de Vergrijzing. De extra uitgaven voor het wettelijk pensioen in percentage van de welvaart (bbp) zullen bijna halveren door de hervorming van de regering-Michel (van 4,3 naar 2,2% van het bbp). Dat terwijl het aantal gepensioneerden toeneemt. Gevolg: per gepensioneerde zal er in 2060 bijna een derde minder van onze welvaart (bbp) naar het wettelijk pensioen gaan. Een derde minder dan vandaag. Dat is niet alleen een aanzienlijke achteruitgang, het is een grondige herinrichting van ons pensioenlandschap.

Voor de ambtenaren gaat het nog een stuk verder. Zij zullen langer moeten werken voor een heel stuk minder pensioen. De verschillende maatregelen van de regering verlagen het ambtenarenpensioen naar dat van de werknemers.

3 Andere wettelijke pensioenen omhoog, ambtenaren niet omlaag

3.1 Pensioenkloof met onze buurlanden zal groeien

Het wettelijk pensioen voor werknemers in België is laag. De pensioenkloof met onze buurlanden loopt op. Een Belg die exact even lang gewerkt heeft en exact even veel verdiend heeft, trekt maar liefst 40 procent minder pensioen dan een Fransman en 11 procent minder pensioen dan een Duitser.

In plaats van daar iets aan te doen, verstrengt de regering de toegang tot het pensioen. Zij kiest niet alleen voor langer werken, maar ook voor de wettelijke pensioenen inperken: afschaffing van de pensioenbonus, afschaffing van bepaalde gelijkgestelde periodes, afbouw van het recht op overlevingspensioen, afbouw van het pensioen voor ambtenaren ... Het gevolg is dat de pensioenkloof met onze buurlanden zal groeien.

3.2 Fatsoenlijke pensioenen voor iedereen zijn wél betaalbaar

De regering probeert haar beleid te verkopen onder de noemer van de "onafwendbare noodzakelijkheid". Maar volgens de Studiecommissie voor de Vergrijzing zouden wij in 2060 evenveel betalen voor onze pensioenen als Oostenrijk en Frankrijk nu al betalen. Is dat onhaalbaar? Natuurlijk niet. Het is een kwestie van keuzes in het sociaal en fiscaal beleid.

Een betere verdeling van de welvaart, zoals ook de Commissie Pensioenhervorming voorstelt, laat toe om de lage pensioenen van werknemers en kleine zelfstandigen op te trekken en de pensioenkloof met onze buurlanden weg te werken. Voer een miljonairstaks in, en pak de grote fiscale fraude aan. Er is geld genoeg om onze pensioenen te betalen, als we de welvaart wat eerlijker verdelen.

4 Besluit

De regering hervormt de ambtenarenpensioenen. Het regeerakkoord voorziet vier specifieke maatregelen die deze pensioenen afbouwen: de afschaffing van de diplomabonificaties, de optrekking van alle tantièmes naar 60, het niet meer laten meetellen van de contractuele tewerkstelling voor de berekening van het pensioen en de berekening van het pensioen op een langere loopbaan. De uitvoering van de eerste twee maatregelen werd beslist op het laatste begrotingsconclaaf en meegedeeld afgelopen weekend. De uitvoering van de laatste twee maatregelen zit nog in de pijplijn. Deze vier maatregelen komen bovenop nog twee andere maatregelen: de afschaffing van de pensioenbonus en de afschaffing van pensioenopbouw bij loopbaanonderbreking.

De impact van deze hervorming is verregaand. Het ambtenarenpensioen wordt in wezen afgebouwd tot op het niveau van het pensioen voor werknemers. Maar die pensioenen zijn veel te laag. De pensioenkloof tussen België en haar buurlanden loopt op tot 40 procent. Bijna een op de vijf ouderen in België zit ook nog onder de armoedegrens. In Frankrijk is dat een op de tien. In Nederland een op de twintig. In plaats van daar iets aan te doen, verlaagt de regering het pensioen van postbode Jef, cipier Dirk en federaal ambtenaar Stijn. Deze hervorming kan worden beschouwd als een contractbreuk of een onteigening van opgebouwde rechten voor de ambtenaren. Andere keuzes zijn mogelijk en nodig.

[1] Zie punt 2.3 van het regeerakkoord.

[2] J. BERGHMAN, H. PEETERS en A. MUTSAERTS, De pensioenbescherming in België: overzicht en uitdagingen, in P. D’HOINE en B. PATTYN (eds.), Over de grenzen en generaties heen – XXI Lessen voor de eenentwintigste eeuw, Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2012, p. 109 (zie http://soc.kuleuven.be/ceso/pensioenbeleid/downloads/Lessen%2021e%20Eeuw%202012%20-%20Berghman%20ea.pdf).

[3] Zie RDW, Nota met betrekking tot de pensioenen in de onderwijssector, 2 september 2014, p. 3.

[4] Artikelen 65-66 en 112-113 van de Programmawet van 28 juni 2013 (B.S. 1 juli 2013) en artikelen 3-5 van het KB van 24 oktober 2013 tot uitvoering, inzake de pensioenbonus van de werknemers, van artikel 7bis van de wet betreffende het generatiepact van 23 december 2005 (B.S. 6 november 2013).

[5] Zie EHRM, Arrest Azinas van 20 juni 2002, www.echr.coe.int, § 32; zie ook EHRM 9 maart 2006, Appl. No. 73511/01, Laloyaux v. België en EHRM 22 oktober 2009, nr. 39574/07, Apostolakis v. Greece.