(Foto Solidair, Salim Hellalet)

Studie taxshift: fiscale rechtvaardigheid of een cadeau voor de 1%?

“Belastingparadijzen creëren een sociale hel”, zo luidde de tekst op een bord tijdens de vakbondsconcentratie van 25 september 2014 op het Brusselse Muntplein. De manifestatie was het startschot van een van de grootste sociale bewegingen van de laatste jaren. De tekst op het bord rekende af met het fiscale beleid dat al vele jaren wordt gevoerd in ons land, en dat door de regering-Michel-De Wever verder wordt uitgediept. België is een belastingparadijs voor multimiljonairs en een fiscale hel voor de werkende bevolking.

Download de studie hier in pdf-formaat.

Dit beleid van fiscale cadeaus voor een piepkleine minderheid heeft uiteraard een groot effect op de gemeenschap, die moet vaststellen dat een deel van de maatschappelijk geproduceerde rijkdom haar ontsnapt. Die vaststelling is de basis van een hele sociale beweging die eist dat miljonairs werkelijk belast worden. De opbrengst van zo’n belasting moet dienen om te investeren in de sociale noden en in onderzoek. Meerdere peilingen toonden al aan dat een overweldigende meerderheid van de bevolking in alle delen van het land zich achter deze eis schaart.

Het idee voor een miljonairstaks is simpel én een kwestie van gezond verstand: “Het gaat om een belasting op het vermogen, op het fortuin. Zonder ingewikkelde fiscale constructies, zonder wetteksten die uitpuilen van achterpoortjes en andere soorten fiscale niches. Een vermogensbelasting die zich enkel op de superrijken richt en niet een ingewikkelde inkomstenbelasting die 10 tot 15% van de bevolking treft. De miljonairstaks is bovendien ook geen nieuwe belasting op mensen die hun hele leven hard hebben gewerkt om wat spaargeld opzij te zetten of die een huis hebben geërfd. Het gaat om een scherp omlijnde belasting die enkel de 3% allerrijksten betreft.”[1]

Een deel van de populariteit van het voorstel is zeker te danken aan de eenvoud en de efficiëntie van de miljonairstaks. Een ander element is dat de taks een antwoord biedt op de onrechtrechtvaardigheid in de huidige fiscale wetgeving, die grote vermogens haast volledig onbelast laat.

De regering beseft dat de eensgezindheid bij de publieke opinie groeit om een belasting te heffen op de 3% allerrijksten. Ze probeert daarom verwarring te stichten en het debat een andere richting uit te sturen.

1. De taxshift en de poging van de regering om het debat een andere richting uit te sturen  

Sommige leden van de regering voelden de druk vanuit de sociale bewegingen en de publieke opinie, en wekten een tijdlang de indruk dat ze de bekommernis van die sociale bewegingen deelden. Inderhaast begonnen bepaalde ministers in december te schermen met een (minuscule) vermogensbelasting. Daarna werd het idee verschoven naar de begrotingscontrole van maart en vandaag wordt er haast niet meer over gerept.

De regering probeerde ook de Kaaimantaks en de Diamanttaks te verkopen als een vorm van rijkentaks. Maar het rookgordijn dat ze daarmee aanlegden trok snel op omdat beide belastingen in de feiten een goedkope formule bleken om de grote fiscale fraude toe te dekken. (zie kader)

De Diamanttaks en de Kaaimantaks: schitterend, maar zonder tanden

Volgens de regering zouden de Kaaimantaks en de Diamanttaks de kapitaalkrachtigen financieel treffen. Beide taksen zijn echter niet alleen inefficiënt, ze zouden ook nog eens nefast kunnen uitpakken.

De vorige regering had van de belastingplichtigen geëist dat zij in hun belastingaangifte zouden vermelden over welke financiële middelen zij beschikten in een of ander belastingparadijs. Met de Kaaimantaks wil de regering-Michel nu deze financiële middelen belasten.

Voor de Kamercommissie Financiën noemden de professoren Michel Maus (VUB) en Denis-Emanuel Philippe (ULg) in 2014 de Kaaimantaks “een maat voor niets”. Beide professoren zijn specialisten in fiscale wetgeving en legden uit dat, bijvoorbeeld in de LuxLeaks-affaires, deze belasting haar doel volkomen had gemist. De reden hiervoor is dat deze taks enkel en alleen fysieke personen treft, terwijl de meeste offshoreconstructies in handen zijn van vennootschappen.

En dan zijn er nog de perverse effecten: belastingplichtigen die een Kaaimantaks betalen kunnen niet langer het voorwerp worden van extra fiscale controles. Als ze eenmaal een kleine belasting hebben betaald op een deel van hun tegoeden, ontsnappen ze meteen aan mogelijk bijkomende controles. Dat lijkt verdacht veel op fiscale amnestie vooraf.

Datzelfde geldt ook voor de Diamanttaks, of Karaattaks. De diamantvennootschappen zullen niet langer belast worden op hun winsten, maar op basis van een forfaitaire 0,55% van hun omzet. Deze Karaattaks is overigens al jarenlang een eis van de diamantsector zélf. Met andere woorden: deze belasting leidt tot een definitieve vrijstelling waardoor belastingcontroleurs niet langer hun neus mogen steken in allerhande vormen van fiscale fraude en andere criminele activiteiten.

En dan zijn er nog de budgettaire verwachtingen die kant noch wal raken: 120 miljoen euro voor de Kaaimantaks en 50 miljoen voor de Diamanttaks… en dat terwijl de Belgische bezittingen in Zwitserland alleen al geschat worden op een slordige 60 miljard euro.

Kortom, de regering probeert vandaag het debat over de miljonairstaks zoveel mogelijk naar de achtergrond te verschuiven. Ze wil het inhoudelijke debat helemaal uit de weg  gaan door voortdurend te schermen met de term ‘taxshift’. Aanvankelijk ging het om de vraag: ‘Hoe belasten we de miljonairs en hoe kunnen we de rijken laten betalen?’ De regering leidt ons nu weg van die vragen en wil ons de vraag van het patronaat opdringen: ‘Hoe kunnen we de werkgevers nieuwe cadeaus geven en hoe krijgen we de (directe of indirecte) lonen omlaag?’[2] De regering nestelt zich daarmee in het spoor van Pieter Timmermans, topman van het Verbond van Belgische Ondernemingen, die eist dat de opbrengst van de taxshift prioritair naar de bedrijven gaat.

Op basis daarvan krijgen de werkgevers in 2016 al een regeringscadeau van een miljard euro via een verminderingen van hun patronale sociale bijdragen.[3] Ook de indexsprong die de regering goedkeurde, moet in dat licht worden gezien. Die indexsprong zorgt voor een koopkrachtverlies voor alle werknemers (minder loon), maar zorgt ook voor minder inkomsten voor de sociale zekerheid en voor de openbare diensten (minder loon betekent minder inkomsten voor de sociale zekerheid en minder belastingen om openbare diensten te betalen).

Tot nu toe werden deze fiscale cadeaus en deze verminderingen van de loonkosten gefinancierd door:

  • Of door besparingen in de sociale zekerheid: “De vergelijking is gemakkelijk: de openbare diensten kosten te veel; als we de belastingen willen verlagen, moeten we snoeien in de uitgaven. Dat is onze prioriteit”,[4] aldus minister De Croo (Open Vld) over de taxshift.
  • Of door een ‘alternatieve financiering’. Met andere woorden door de transfer van een deel van de btw-inkomsten naar de financiering van de sociale zekerheid.

Maar de regering wil nog verder gaan om de patronale bijdragen te verlagen. Er liggen heel wat mogelijke pistes op tafel. Welke? Wie zal ze betalen? Zullen de geplande maatregelen nieuwe banen scheppen? En ten slotte: welke elementen leiden tot een eerlijke fiscaliteit? Op al die vragen willen wij hier een antwoord formuleren.

2. De taxshift van de regering: een transfer van de werkende bevolking naar het kapitaal…

Als we minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) mogen geloven zijn er drie mogelijkheden om een taxshift te realiseren. Volgens de criteria van de minister is er wel een obligate volgorde: een verhoging van de btw, een groene fiscaliteit en een belasting op kapitaal. Met die uitspraak herneemt hij in feite de stellingen van een rapport van de Hoge Raad voor Financiën uit augustus 2014. Het document werd gepubliceerd net voor de N-VA toetrad tot de regering.[5] Laten we die verschillende pistes eens onder de loep nemen…

a) Een verhoging van de btw, of hoe je een shift organiseert van arm naar rijk

Er liggen verschillende pistes op tafel. Een verhoging van het btw-tarief van 21 naar 22%, bijvoorbeeld. Die zou 1,3 miljard opleveren, te betalen door de consument. Die maatregel zou wel erg slecht kunnen overkomen, aangezien de btw in België al vrij hoog is in vergelijking met onze buurlanden (17% in Luxemburg, 19% in Duitsland en Nederland, 20% in Frankrijk).

Een andere mogelijkheid is het verhogen van de ‘verlaagde tarieven’. Volgens sommige regeringsleden zou er een ‘harmonisering’ van de tarieven moeten komen. De verlaagde btw-tarieven voor sommige basisbehoeften (voeding en water, bijvoorbeeld) betekenen voor de overheid een inkomstenverlies van 6,5 miljard. Dat leidde Johan Van Overtveldt net voor de verkiezingen tot de volgende uitspraak: ‘Men moet daarbij zelf nog niet direct aan een verhoging van het basistarief van 21 procent denken. Schrappingen in de vele vrijstellingen van of kortingen op het btw-regime kunnen al snel vele honderden miljoenen euro’s opleveren.’[6]

Een nettoverlies aan koopkracht

Een verhoging van de verlaagde btw-tarieven zou een erg grote impact kunnen hebben op de budgetten van de gezinnen. Als we het scenario van de minister van Financiën volgen (de verlaagde tarieven optrekken tot het standaardniveau), betekent dat voor een gemiddeld gezin een inlevering van 800 euro per jaar.

Tabel 1: Koopkrachtverlies voor een gemiddeld gezin ten gevolge van het afschaffen van het verlaagde btw-tarief van 6%

 Gemiddelde jaarlijkse gezinsuitgaven (in €)[7]Jaarlijks verlies (in €)
Voeding en niet-alcoholische dranken4692645
Elektriciteit687133
Water16423

Opgelet: het gaat hier om de cijfers voor een ‘gemiddeld’ gezin. Het gaat hier dus om een gemiddelde dat staat voor erg verschillende situaties die variëren van een gezin van één persoon tot een kroostrijk gezin.

Volgens het Planbureau zou het reële inkomen van de gezinnen met 0,7% dalen als de vermindering van de patronale sociale bijdragen (0,5% van het bbp) gefinancierd wordt door een verhoging van de btw. Dat cijfer onderschat uiteraard de realiteit van veel gezinnen, vooral dan van zij die al aan het werk zijn. Het Planbureau ging er immers van uit dat mensen die werk vonden door de verminderde patronale bijdrage, meer inkomen zouden hebben. Dat de koopkracht van de gezinnen daalt door een btw-verhoging is evident, maar dat een vermindering van patronale bijdragen zorgt voor meer jobs, is al veel minder evident, zoals we verder zullen zien.

Voorstanders van zo’n taxshift stellen dat de btw-verhoging gecompenseerd zal worden door een prijsdaling ten gevolge van de verminderde loonkosten. Maar die redenering raakt kant noch wal. Het meest waarschijnlijke gevolg van lagere lonen is… meer winst en niet lagere prijzen. Iets wat de regering zelf ook beseft, want bij de opmaak van de begroting voorzag zij een verhoging van de belastinginkomsten op bedrijfswinsten.

De wetten die de prijzen bepalen – vooral dan op de internationale markten – hangen echter niet in eerste instantie af van de hoogte van de Belgische lonen, maar van de wet van vraag en aanbod. Bananen uit de Ecuador, Italiaanse druiven, Aziatische textiel, auto’s die in zowat heel Europa worden geproduceerd… de prijzen van die producten zullen niet dalen omdat de Belgische lonen afnemen. Integendeel, de kans is groot dat de verlaging van de lonen bijdraagt tot de Europese spiraal van dalende inkomsten uit arbeid (zowel netto als indirect loon) en dus tot een dalende consumptie.

Een buitengewoon sociaal onrechtvaardige maatregel

Een btw-verhoging zal de koopkracht van alle loontrekkenden aantasten en bovendien doet ze dat op een bijzonder onrechtvaardige manier. De btw is voor de hele werkende bevolking gelijk. Of je nu rijk bent of niet: je betaalt dezelfde belasting. Het wordt nog een stuk onrechtvaardiger als de regering ook de verlaagde tarieven gaat verhogen. Dan raakt ze immers aan de basisbehoeften en die maken verhoudingsgewijs een groot deel uit van de uitgaven van gezinnen met een laag inkomen.

Voorstanders van een btw-verhoging zeggen precies het omgekeerde en beweren dat wie meer verbruikt, ook meer btw betaalt, en dat die belasting dus ook een vorm van herverdeling inhoudt. Het klopt dat wie meer consumeert, meer betaalt, maar de btw is regressief als je ze vergelijkt met het inkomen (elke verhoging van de btw verhoogt het percentage van het inkomen dat moet worden gespendeerd aan belastingen en komt dus harder aan bij wie een laag inkomen heeft). Talloze studies van de OESO maken dit overduidelijk. Op Belgisch vlak is er de studie van professor André Decoster (KU Leuven)[8] die in dezelfde richting gaat. Decoster berekende de btw-verhoging voor elk beschikbaar inkomen per deciel van de bevolking (van de meest arme tot de meest rijke). De volgende grafiek (grafiek 1) toont duidelijk aan dat het armste deciel het zwaarst getroffen wordt door een verhoging van de btw.

Grafiek 1: Verhoging van de btw betaald door gezinnen, uitgedrukt in % van het beschikbaar inkomen

Maar het effect van omgekeerde herverdeling via de btw speelt nog sterker dan je uit deze grafiek kunt opmaken. De grafiek houdt immers enkel rekening met de decielen van het belastbaar inkomen. De allerhoogste inkomens, de inkomsten van de meest vermogenden in onze maatschappij, ontbreken in deze grafiek. Hun inkomsten uit vermogen vind je niet terug in hun belastingaangifte. Bovendien spenderen deze superrijken een bijzonder klein percentage van hun inkomen aan consumptie die onderworpen is aan btw. Het overgrote deel van hun inkomen wordt ‘geïnvesteerd’ of uitgegeven via processen die niet onderworpen zijn aan de btw. De btw verhogen is dus het omgekeerde van herverdelen (armen betalen meer dan rijken) en bovendien is het opnieuw een mechanisme dat eens te meer de grote fortuinen buiten schot houdt.

b) Belastingen die enkel in naam iets te maken hebben met het milieu…   

Op een ogenblik dat ons klimaat ernstig wordt bedreigd, klinken milieutaksen goed in de oren. Toch wijzen een aantal mensen erop dat deze taksen toch wat schijnheilig zijn. Als ze tot doel hebben gedragsverandering te realiseren, dan betekent dat dat ze geen blijvende inkomstenbron zijn, want als het gedrag eenmaal is bijgestuurd, zullen de geïnde belastingen verminderen. Misschien wordt het woord ‘milieu’ er dan maar opgeplakt om een nieuwe vorm van belastingen vlotjes verkocht te krijgen.

Het laatste rapport van de Hoge Raad voor Financiën is op dat vlak erg duidelijk. Het stelt dat “een groot deel van de fiscale ontvangsten inzake milieubelasting voort[komt] uit grondslagen waarvan de prijselasticiteit niet bijzonder hoog ligt (in absolute waarden), althans niet op korte termijn, met name de energieconsumptie en het transport”.[9] Met andere woorden: de geplande milieutaksen (vooral de accijnzen en de verhoging van de btw op elektriciteit) slaan op zaken die het menselijk gedrag moeilijk kunnen beïnvloeden, zelfs als de prijs stijgt (dat is de betekenis van de uitdrukking ‘waarvan de prijselasticiteit niet bijzonder hoog ligt’). De fiscale inkomsten die een dergelijke belasting kan opleveren, zijn verzekerd. Dat wil dus meteen ook zeggen dat een dergelijke belasting slechts een beperkte invloed zullen hebben op het milieu.

De milieubelasting lijkt dus meer een middel om, samen met de verhoging van de btw en de accijnzen, het gat in de begroting te dempen. Een gat dat geslagen is door de verlaging van de patronale lasten. Die milieubelasting zal, net als de btw, in eerste instantie de werkende bevolking treffen en dan nog vooral de zwaksten, waarbij de positieve impact voor het milieu laag of nihil zal zijn.

c) Wat met het klein kapitaal? En met de speculanten?

Over het (klein) kapitaal blijft de regering erg vaag. Ofwel stuurt zij tegenstrijdige boodschappen de wereld in, ofwel laat ze proefballonnetjes op. Voor de N-VA is het feit dat de allerrijksten in België weinig belastingen betalen slechts ‘een perceptieprobleem’. Bart De Wever is daar erg duidelijk over. Wat hem betreft komt er geen vermogensbelasting en als hij al wil praten over een vermogenswinstbelasting, zegt hij er meteen bij “dat je er geen wonderen van moet verwachten”. Voor Alexander De Croo “hebben we al veel gedaan” en bij de MR spreekt men vaag over een mogelijke speculatietaks. Zij sluiten zich daarbij allemaal aan bij het VBO. Wat er ook van zij, voor de overgrote meerderheid van de regeringspartijen gaat het hier om ‘de allerlaagste prioriteit’ die sowieso niet veel zal opleveren.

Bovendien gaat het – net als bij de regering-Di Rupo die zich ook op de borst klopte over hoe ze het “kapitaal” belastte” – hoofdzakelijk over het belasten van mensen met een klein kapitaal.

De regering verhoogt de roerende voorheffing die zonder onderscheid de kleine en de grote vermogens tegen hetzelfde tarief belast.

Sommigen kijken in de richting van een herziening van het kadastraal inkomen omdat er sedert 1975 geen aanpassingen meer zijn geweest. Dat zou de eigenaars van oudere huizen ten goede kunnen komen. Zij zouden dan minder roerende voorheffing moeten betalen dan wie recent een woning bouwde.

Premier Charles Michel beweert dat hij “de speculanten wil aanpakken”, maar hij blijft erg vaag over de kwestie. Alles wat tot nu toe op tafel werd gelegd, viseert bovendien enkel en alleen de kleine speculanten.

Als het erom gaat het kleine kapitaal te belasten, komt de regering altijd erg creatief uit de hoek met verwijzingen naar de kleine fiscale verschillen tussen loontrekkenden. Als ze geacht wordt een van de grootste fiscale onrechtvaardigheden in dit land aan te pakken – het feit dat het vermogen van de grote miljonairs niet wordt belast – doet ze alsof haar neus bloedt. En als ze dan eens gedwongen wordt er een uitspraak over te doen, krijg je steevast te horen: “we kunnen er niets aan doen”, “het haalt toch niets uit”, enz.

Er is dus nog geen enkele concrete maatregel genomen tegen de grote vermogens. Wie een groot vermogen bezit, betaalt niet alleen geen vermogensbelasting, maar kan bovendien allerhande mechanismen op poten zetten om geen belastingen te moeten betalen op zijn inkomen. Kijk maar eens naar kersvers miljardair Marc Coucke, die een meerwaarde realiseerde van meer dan een miljard euro bij de verkoop van zijn bedrijf Omega Pharma en die daar niet één eurocent belasting moest op betalen.

d) Gaat mijn nettoloon omhoog?

Sommige ministers willen ons doen geloven dat de nettolonen zullen stijgen door de lastenverlaging voor werknemers. Op die manier willen ze de nieuwe cadeaus voor de werkgevers aanvaardbaarder maken. Maar wat is daar van aan?

Ten eerste is het al verre van zeker dat de nettolonen zullen stijgen. De eerste prioriteit van de meeste regeringspartijen is de werkgevers nieuwe cadeaus geven via de vermindering van hun patronale bijdragen.

Ten tweede is het argument van een hoger nettoloon zonder een verhoging van het brutoloon, een verhoging die de werknemer zichzelf uitbetaalt. Uiteindelijk vermindert dat zijn indirect loon: de openbare dienstverlening. Wat doe je met een hoger nettoloon als morgen het ‘gratis’ onderwijs duurder wordt? Als de treintickets duurder worden? Als je overal moet betalen om je auto te parkeren? Idem dito voor de gemeentelijke diensten of de gerechtskosten, enz.

Ten slotte stelt een verhoging van het nettoloon ook niets meer voor als de regering ondertussen de accijnzen en de btw verhoogt. Die hele nettoloonsverhoging is dus een vestzak-broekzakoperatie. Bovendien zijn deze nieuwe taksen – zoals we eerder al aantoonden – veel onrechtvaardiger dan een progressieve inkomensbelasting.

3. Een taxshift die ons naar de afgrond leidt

De regering-Michel-De Wever doet haar uiterste best om ons te doen geloven dat lagere lonen en lagere lasten op arbeid de concurrentiekracht van de Belgische ondernemingen zullen verbeteren, en dat er dus heel wat nieuwe jobs zullen bijkomen. In haar motivatie voor de indexsprong zei de regering, bijvoorbeeld: “Competitieve ondernemingen zijn nodig zodat jobs in de private en de publieke sector tot stand kunnen komen. Die competitiviteit is vandaag echter niet optimaal. De uurloonkostenhandicap speelt een belangrijke rol in het competitiviteitsprobleem van onze ondernemingen.”

a) Een studie die deze ideeën op losse schroeven zet

Deze redenering berust niet op feiten. Een recente studie[10] van Hendrik Jacob Kleven, professor economie aan de London School of Economics, toont aan dat “de maatregelen die men vandaag voor ogen heeft best wel eens tot een lagere tewerkstelling zouden kunnen leiden”. [11] Dit wordt bijzonder duidelijk gemaakt in een grafiek (grafiek 2).[12]

Grafiek 2: Verhouding graad van impliciete belasting op arbeid / werkgelegenheidsgraagd

Deze grafiek toont aan dat de landen waar de lonen het meest worden belast, ook de hoogste werkgelegenheidsgraad kunnen voorleggen.

Sommigen zullen beweren dat er andere factoren meespelen die niets te maken hebben met het niveau van de loonlasten. ‘Verborgen’ factoren. Maar zoals een econoom het verwoordt: “Als de belastingen een probleem van de eerste orde zijn, moeten die mysterieuze ‘andere factoren’ bijzonder sterk zijn om de relatie van de gegevens helemaal om te keren! En omdat niemand in staat is het bestaan van dergelijke factoren aan te tonen (of zelfs maar te suggereren) kunnen we met Kleven (net als elke andere verstandige econoom) alleen maar besluiten dat het erg onwaarschijnlijk is dat lagere loonlasten een belangrijke stijging van het aantal jobs met zich zouden brengen.”[13]

De studie van Kleven gaat nog verder en toont aan dat “er in feite goede redenen zijn om aan te nemen dat uitgerekend hogere loonlasten aan de basis liggen van hogere tewerkstelling!” Een van de redenen daarvoor is “dat de belastingen de mogelijkheid creëren diensten te financieren waarvan de effecten gunstig zijn voor de deelname aan de arbeidsmarkt. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor de openbare subsidies aan kindercrèches, aan kleuterscholen en voor de professionele hulpverlening aan ouderen. (…) De verklaring hiervoor is logisch: deze diensten geven vrouwen de kans deel te nemen aan de arbeidsmarkt veeleer dan thuis te blijven om zich bezig te houden met de kinderen of met de ouderen in de familie. Het is overigens interessant om even aan te stippen dat terwijl de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt alsmaar is toegenomen in het merendeel van de ontwikkelde landen, ze integendeel sedert 1998 is afgenomen in de VS, een land dat beduidend minder subsidies geeft aan kindercrèches en waar geen algemene kleuterscholen bestaan…’[14]

b) Het Duitse voorbeeld toont aan dat een daling van de loonkosten geen extra banen oplevert

Ja, maar hebben de loonmatigingen in Duitsland dan niet gezorgd voor heel wat extra jobs? Niet echt. We stellen bijvoorbeeld vast dat Duitsland tussen 1996 en 2013 heel wat minder werkuren per persoon in de actieve leeftijd heeft gecreëerd dan België (zie grafiek).

Ja, maar de werkloosheid in Duitsland is toch gedaald? Juist. Maar het gaat niet om stabiele jobs. Wel om een bijzonder sterke daling van het aantal werkuren via een systeem van mini-jobs waarin mensen moeten werken onder slechte arbeidsvoorwaarden en voor een uitermate laag loon. In Duitsland werken vandaag 7,5 miljoen mensen in dergelijke mini-jobs. Dat heeft geleid tot een explosie van ongelijkheid. Als je de verhouding bekijkt tussen de stijging van het aantal werkende armen en de groei van de rijkdom in het land, is Duitsland Europees kampioen. De inkomens van meer dan de helft van de werkende bevolking zijn gedaald. De slechtst betaalde werknemers verloren nog eens zo’n 20% van hun inkomen. Enkel de georganiseerde werknemers, die sterke collectieve arbeidsovereenkomsten konden afsluiten, zagen hun loon (een beetje) toenemen.

Vervolgens heeft die politiek van inleveringen heel Europa in de crisis geloodst. Daar kon Duitsland – tijdelijk – van profiteren. Maar vandaag is ook Duitsland het slachtoffer van zijn eigen lagelonenpolitiek. Volgens de Internationale Arbeidsorganisatie IAO kan “een strategie die gebaseerd is op de eenzijdige vermindering van de loonkosten – iets wat je vaak hoort aankaarten als remedie voor landen in crisis (…) – het risico inhouden dat de binnenlandse consumptie sneller daalt dan de stijging van de export. Als een groot aantal landen tegelijk overgaat naar loondalingen omwille van de concurrentiepositie, kan dat een ‘wedloop naar beneden’ veroorzaken (…) en de algemene vraag doen dalen”.[15] En dat is uitgerekend wat vandaag in Europa gebeurt, met als resultaat een massale vernietiging van arbeidsplaatsen. Deze ‘wedloop’ naar lagere lonen versterken kan enkel en alleen maar leiden tot een grotere bedreiging van de Europese economie.

Grafiek 3: Evolutie van het aantal arbeidsuren per persoon op arbeidsgeschikte leeftijd (sinds 1996)

 

c) De loonkosten verminderen schaadt de investeringen

In haar rapport uit 2013 haalde de Nationale Bank dit punt al aan bij de analyse van de economische achteruitgang in 2012: “Wat de bestedingscomponenten van het bbp betreft, valt in België vooral de zwakke binnenlandse vraag op. Zo zijn de bestedingen van de huishoudens naar volume, kwartaal na kwartaal, en dit zowel voor de particuliere consumptie als voor de investeringen in woningbouw, reeds geruime tijd vrijwel onafgebroken aan het dalen.”

En als de gezinnen minder uitgeven is dat omdat hun inkomsten gedaald zijn of omdat ze hun werk zijn kwijtgespeeld. Een andere reden voor de crisis is te vinden bij het terugschroeven van openbare uitgaven (ten gevolge van de bezuinigingspolitiek). Als de staat minder uitgeeft, remt dat ook de economische groei af. En omdat de overheid enkel kan investeren dankzij de belastingen die ze int op onze lonen, leidt het verlagen van onze lonen tot een verlaging van de overheidsuitgaven en dus tot een vertraging van de economie.

Om het vanuit een andere hoek te bekijken: het probleem van de economie is dat niemand nog voldoende investeert:

  • Noch de gezinnen: hun inkomsten uit loon stagneren; hun werkzekerheid is bedreigd of ze verliezen hun job.
  • Noch de openbare diensten: de regering blijft maar een streng dieet opleggen aan de openbare diensten (de administratie, de gemeenten, NMBS, het onderwijs…). Het Planbureau berekende onlangs dat de budgettaire saneringen in de openbare sector 47.000 arbeidsplaatsen zullen kosten. De fabriek van Bombardier in Brugge wordt met sluiting bedreigd omdat de NMBS zijn investeringen moet terugschroeven.
  • Noch de bedrijven, omdat ze door de krimpende gezinsuitgaven en de beknibbelingen in de openbare diensten onvoldoende vooruitzichten hebben op projecten die rendabel genoeg zijn voor hun aandeelhouders.

Volgens een van de meest recente jaarrapporten van de Nationale Bank[16] hebben de Belgische bedrijven hun investeringen in 2013 nog eens verlaagd met 0,5% terwijl het investeringsniveau in 2012 al gedaald was met 2,1%.

De gevolgen? “De niet-financiële bedrijven beschikken sedert 2009 over liquide reserves  waarvan het niveau (…) beduidend hoger ligt dan het langetermijngemiddelde.” Concreet: De Belgische bedrijven zitten op een berg cash van 240 miljard euro.[17] In 2007 bedroeg de totale cashvoorraad van de bedrijven 185,8 miljard. In de loop van de voorbij zeven crisisjaren hebben de Belgische bedrijven dus meer dan 60 miljard euro geaccumuleerd!

Besluit: de huidige logica van beknotting op de lonen en op de openbare dienstverlening om de privésector te verrijken haalt ons niet uit de crisis, ze duwt er ons nog dieper in.

4. We hebben een verschuiving van de rijkdom (wealthshift) nodig om als maatschappij opnieuw te kunnen investeren

Met de elementen die vandaag op tafel liggen kunnen we zeker besluiten dat de taxshift van de regering zeker geen operatie wordt die de zwaarste lasten op de sterkste schouders legt. We gaan naar een operatie die de verlaging van de patronale lasten vooral zal aanrekenen aan de loontrekkenden.

De taxshift van de regering surft op het algemene ongenoegen over de lage belastingen die de grote fortuinen moeten betalen, maar de regering maskeert er haar fundamentele politieke doelstellingen mee: de transfers van arbeid naar kapitaal aanwakkeren.

Dat lijken de bevolking en de sociale organisaties goed door te hebben. Binnen de regering en in werkgeverskringen gaan dan ook al stemmen op om het op te geven de taxshift te gebruiken om nieuwe cadeaus binnen te halen.

De reden waarom de afgelopen maanden tienduizenden mensen op straat kwamen, was niet om nieuwe cadeaus voor de bedrijven te eisen. De sociale bewegingen eisen een verschuiving van de rijkdom (wealth shift), maar dan wel in de andere richting. Zij willen dat de grote fortuinen een substantiële bijdrage leveren. Hoe? In eerste instantie via een miljonairstaks waarvan de opbrengst moet dienen om een massa schrijnende sociale misstanden recht te zetten. Met andere woorden: de taxshift moet een instrument zijn om een wealth shift te realiseren.

De sociale bewegingen eisen ook een betere bescherming van alle componenten van het loon (brutoloon en sociale bijdragen) en de bescherming van de mechanismen die loonstijgingen mogelijk maken.

Beide elementen – activering van de fortuinen en bescherming van de lonen – zijn de sleutels voor meer sociale en fiscale rechtvaardigheid en voor een maatschappij die opnieuw gaat investeren. Met andere woorden: het zijn die twee elementen die een echt investeringsplan mogelijk maken dat een antwoord kan bieden op alle sociale en milieugebonden uitdagingen en dat tienduizenden nieuwe banen kan scheppen.[18]    

[1] Peter Mertens (red.), De miljonairstaks en zeven andere briljante ideeën om de samenleving te veranderen, uitg. EPO, 2015
[2] Onder uitgesteld loon verstaan we het loon dat een werknemer ontvangt via diverse uitkeringen gelinkt aan zijn noden: werkloosheidsuitkering, kinderbijslag, pensioen…
[3] Deze verlaging van de patronale bijdragen was al voorzien door de regering-Di Rupo.
[4] L’Echo, 27 februari 2015.
[5] Hoge Raad van Financiën, Een tax shifting ten voordele van arbeid en bredere belastinggrondslagen, augustus 2014.
[6] “De vervelende gevolgen van een BTW-verhoging”, knack.be, 2 februari 2012.
[7] Huishoudbudgetonderzoek 2012, http://statbel.fgov.be/nl/modules/publications/statistiques/arbeidsmarkt_levensomstandigheden/huishoudbudgetonderzoek_2012.jsp
[8] Wie draagt de last van een btw-verhoging?, http://www.flemosi.be/uploads/131/Verdelingseffecten%20BTW-verhoging.pdf
[9] Hoge Raad van Financiën, Een tax shifting ten voordele van arbeid en bredere belastinggrondslagen, augustus 2014.
[10] Henrik Jacobsen Kleven, How Can Scandinavians Tax So Much?, juli 2014
[11] Le tax shift va-t-il augmenter le taux d'emploi? http://blogs.politique.eu.org/Le-Tax-Shift-va-t-il-augmenter-le
[12] Lezers die verwonderd zouden zijn over de hoge aanslagvoet in deze grafiek (meer dan 80% voor Denemarken), weet dat de grafiek de aanslagvoet voor deelname aan de arbeidsmarkt voorstelt. Deze houdt niet alleen rekening met de belasting op het inkomen, maar ook op het verlies van sociale uitkeringen als gevolg van de overgang naar werk. Een werkzoekende die bijvoorbeeld een uitkering van 1.000 euro krijgt (die hij zou verliezen mocht hij werken) en een job van 1.500 euro bruto (alle patronage bijdragen meegerekend) aanvaardt, met een nettoloon van 1.150 euro, zou netto maar 150 euro extra inkomen hebben door de job te aanvaarden. Hij kent dus een belasting op zijn deelname aan de arbeidsmarkt van 90% (hij verhoogt zijn inkomen maar met 150 / 1.500 = 10% van zijn totale inkomen).
[13] Le tax shift va-t-il augmenter le taux d'emploi? http://blogs.politique.eu.org/Le-Tax-Shift-va-t-il-augmenter-le
[14] Le tax shift va-t-il augmenter le taux d'emploi? http://blogs.politique.eu.org/Le-Tax-Shift-va-t-il-augmenter-le
[15] Samenvatting “Rapport over lonen in de wereld 2012/2013”, IAO, december 2012
[16] Jaarverslag 2013, januari 2014
[17] “240 milliards d'euros: les entreprises belges sont assises sur une montagne de cash”, 5 november 2014, rtbf.be
[18] Meer over het Cactusplan van de PVDA op www.pvda.be/cactusplan 

Commentaar toevoegen