Spoorpersoneel in staking, en solidariteit in Charleroi op 6 januari 2016. (Foto Solidair, Salim Hellalet)

Zo proberen regering en werkgevers de sociale beweging monddood te maken

Nooit stond het stakingsrecht zo onder druk. De regering en de werkgevers willen de vakbonden dwingen tot verregaande beperkingen van het recht op sociale actie van de werkende bevolking. Als dat niet lukt, dreigen ze de maatregelen door te duwen in het parlement.

Sinds het aantreden van de regering-Michel, zijn de regering en de werkgevers actief op twee fronten. Ze ontmantelen alles wat sociaal en ecologisch is: de mensen doen werken tot hun 67, de indexsprong, de jacht op zieken en werklozen, langer openhouden van de kerncentrales ... Daarnaast willen ze de sociale beweging al haar middelen tot verzet afnemen.

Op dit tweede front willen regering en werkgevers een tandje bijsteken. Vooreerst door een minimumdienstverlening op te leggen bij de spoorwegen. N-VA belooft een debat af te dwingen in het parlement over haar wetsvoorstel terzake. Vervolgens door te proberen de vakbonden te dwingen een sociaal akkoord te aanvaarden dat sterke beperkingen oplegt aan het stakingsrecht. Men noemt het een nieuw “Gentlemen’s Agreement” tussen de werkgevers en de vakbonden. En elk incident dat zich voordoet bij een sociaal conflict wordt aangegrepen om de publieke opinie te winnen voor een politiek programma dat de syndicale vrijheden beperkt. Maar wat willen regering en werkgevers concreet bereiken? En welk gevaar schuilt daarin?

Gegarandeerde dienstverlening of gegarandeerd geen dienstverlening meer?

De regering besliste 6.000 banen te schrappen bij de NMBS, miljarden euro te schrappen in haar budgetten, de prijs van de tickets drastisch te verhogen, het aanbod aan treinen te verminderen ... In plaats van het spoorverkeer te ontwikkelen beperkt men het. In plaats van meer begeleiders aan te werven voor het spoor van morgen, vermindert men het aantal personeelsleden.

Deze maatregelen komen bovenop de besparingen en de desorganisatie van de vorige regeringen. Deze maatregelen lokken een breed protest uit, zowel bij treinreizigers als bij het spoorwegpersoneel.

De regering wil onze spoorwegmaatschappij niet alleen kortwieken, ze wil ook alle protest tegen haar bezuinigingsmaatregelen lam leggen.

De regering eiste van de spoorvakbonden tegen eind vorig jaar een formule voor “gegarandeerde dienstverlening”. De “gegarandeerde dienstverlening” of “minimumdienstverlening” houdt in dat bij een aangekondigde staking, werknemers moeten komen werken om te garanderen dat de dienst kan blijven draaien. De NMBS-directie liet al eerste simulaties uitvoeren. En wat bleek? Om zo’n dienstverlening te verzekeren in geval van staking, moest op sommige diensten zowat 100% van het personeel aanwezig zijn … Voor hen zou het stakingsrecht dus tot nul herleid worden. Bovendien blijkt in landen die zo’n minimumdienstverlening hebben, dat er zeer grote spanningen ontstaan op stakingsdagen. In Frankrijk werd een minimumdienstverlening ingevoerd bij de spoorwegen: op stakingsdagen moeten de pendelaars er wurmen en drummen om in een overvolle trein te geraken. De veiligheid komt in het gedrang en er heerst chaos.

De spoorbonden weigeren dit spel mee te spelen. Zij willen niet medeplichtig zijn aan de invoering van een dagelijkse minimumdienstverlening. Zij willen een maximumdienstverlening.

Met de invoering van een gegarandeerde dienstverlening bij het spoor heeft de regering nog twee andere doelstellingen. Ten eerste wil ze zo een sector die een belangrijke motor was bij alle grote interprofessionele sociale bewegingen, verzwakken. De spoorwegen waren een belangrijke locomotief bij de grote algemene stakingen van december 2014. Ten tweede wil ze op die manier ook een sterk precedent scheppen op het vlak van inperking van het stakingsrecht. Als het lukt bij het spoor, wat houdt de regering dan nog tegen om ook in andere sectoren het stakingsrecht in te perken?

Voor de regering is de minimumdienstverlening bij de NMBS een soort Paard van Troje. Zij wil gebruikmaken van de spoorstakingen – die bij een deel van de bevolking weinig populair zijn – om de vakbondsvrijheden in te perken en een precedent te scheppen. Want als de regering echt een einde zou willen stellen aan de stakingen bij de NMBS, dan zouden ze de oorzaken aanpakken: de noodzakelijke investeringen doen voor een echte openbare toekomst voor het Belgische spoor.

Persoonlijkheid maar geen rechtspersoonlijkheid

De vakbondsorganisaties hebben persoonlijkheid. Dat valt niet te ontkennen. Zoals elke sterke persoonlijkheid bevalt die niet iedereen. In het bijzonder niet aan de werkgevers en de regering. 
Om die stijfkoppen van vakbonden te muilkorven willen sommigen hen “rechtspersoonlijkheid” geven. De werkgeversorganisaties zijn voor. En dan komen de meerderheidspartijen in actie, natuurlijk. Twee parlementsleden van Open Vld dienden een wetsvoorstel in die zin in. Dat zou willen zeggen dat de vakbonden vervolgd kunnen worden en schadevergoedingen en boetes zouden moeten betalen. “Iedereen moet verantwoordelijk zijn”, zeggen de partijen van de meerderheid.

Nochtans bestaat die rechtspersoonlijkheid voor politieke partijen evenmin. “Als elke keer een mandataris sjoemelt met openbaar geld, de ganse partij zou worden veroordeeld als zijnde rechtspersoonlijkheid, zouden er niet veel partijen meer zijn in ons land”, zei Peter Mertens tijdens een tv-debat.

Rechtspersoonlijkheid hebben wil inderdaad zeggen dat een partij of een organisatie in haar geheel gemakkelijk failliet kan gaan omdat sommigen van haar leden de wet hebben overtreden. Op vakbondsniveau zou de rechtspersoonlijkheid een middel zijn om snel de vakbondsbeweging te breken. “Een multinational met een leger advocaten zou een vakbond kunnen doen veroordelen tot een boete van miljoenen euro omdat hij vindt dat hij schade leed door een stakingsdag”, sprak Peter Mertens nog, “en dat zou de facto het einde betekenen van de vakbonden en het einde van het stakingsrecht.” Alleen al de dreiging van een proces, zou de vakbonden kunnen remmen in hun acties.

En wat als er geweld wordt gepleegd? De strafwet voorziet al heel wat wetten om allerlei inbreuken te bestraffen. Waarom daar dan nog rechtspersoonlijkheid aan toevoegen? In werkelijkheid hebben de pleitbezorgers van rechtspersoonlijkheid voor de vakbonden, andere bedoelingen. Ze willen eenvoudigweg de sociale actie inperken. Zo zou een vakbond die een manifestatie organiseert, verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor elke daad die mensen tijdens de manifestatie begaan. Niemand zou nog een manifestatie durven te organiseren. Hetzelfde probeerde de rechtse Spaanse regering op te leggen met haar “muilkorfwet”.

De rechtspersoonlijkheid voor vakbonden heeft tot doel dat de vakbonden verplicht zijn openbaar te maken hoeveel geld ze in hun stakingskassen hebben. De regering en de werkgevers willen deze informatie kennen om te weten hoe lang vakbonden hun acties kunnen volhouden. Het zou ook een middel zijn om de hand te leggen op de fondsen van de vakbonden en zo hun slagkracht te beperken.

“Ik ben voor het stakingsrecht, maar ...”  

Ministers en werkgeversorganisaties herhalen in koor: “Wij stellen het stakingsrecht niet ter discussie, maar ...” En achter die “maar” schuilt een hele reeks beperkingen die niet enkel het stakingsrecht willen inperken, maar ook de sociale actie en de vakbonden willen criminaliseren. Enkel in bananenrepublieken beslist de regering welke acties al dan niet gevoerd mogen worden. Het op voorhand bepalen van strikte kaders voor acties, is ze inperken. Dat geldt niet enkel voor de vakbonden, maar ook voor organisaties zoals Greenpeace, die tot voor de ministerraad toe spectaculaire verrassingsacties voeren om milieukwesties op de agenda te zetten. Of voor vredesorganisaties, die acties van burgerlijke ongehoorzaamheid voeren om de aanwezigheid van kernwapens op ons grondgebied aan te klagen.

Over het inperken van stakingspiketten heerst trouwens een soortgelijk debat. In feite is het debat over het stakingsrecht nauw verbonden met het debat over de stakingspiketten. De werknemers organiseren zich vreedzaam aan de ingang van hun bedrijf om er in de mate van het mogelijke de toegang te blokkeren. Doel is de economie te blokkeren, druk uit te oefenen op de productie. De werknemers verliezen loon en de werkgever verliest productiedagen. Er ontstaat een krachtsverhouding.

Het stakingspiket dient om werknemers die op een stakingsdag toch zouden willen gaan werken, te sensibiliseren, te overtuigen en te ontmoedigen. Dat maakt deel uit van de krachtsverhouding. Die piketten zorgen ervoor dat uitzendkrachten of mensen met een tijdelijk contract bevrijd worden van de druk van hun patroon. Zonder piket zouden ze verplicht zijn te gaan werken, of ze worden ontslagen. Zonder piket heeft het stakingsrecht dus weinig zin.

De regering wil overigens ook blokkades van industriezones verbieden. “Men verhindert degenen die willen werken naar het werk te gaan”, zeggen de regeringspartijen. Indien men echter de blokkades verbiedt, verhindert men de werknemers van kmo’s die willen staken, maar geen syndicale vertegenwoordiging hebben, om het werk neer te leggen. In die kleine bedrijven is er zonder piket geen stakingsrecht. De patronale druk is er te groot.

De thatcheriaanse droom van een maatschappij zonder tegenmacht realiseren

In werkelijkheid wil de regering haar thatcheriaanse droom realiseren (genoemd naar de beruchte Britse politica Margaret Thatcher, voormalig eerste minister die in Groot-Brittannië de vakbonden brak): een maatschappij zonder tegenmacht van vakbonden en zonder sociaal protest. Maatschappijen zonder sociale en syndicale tegenmacht zijn echter maatschappijen met grotere ongelijkheid. Dat is zelfs het besluit van een recent rapport van het IMF. Maatschappijen zonder sociale en syndicale tegenmacht zijn maatschappijen zonder sociale verworvenheden.

Niet een van de grote sociale verworvenheden in dit land (betaald verlof, recht op pensioen, op ziekteverzekering, 8-urendag ... ) werd bekomen zonder stakingsdagen.

Die rechten op collectieve actie zijn des te meer noodzakelijk op een ogenblik dat de regering haar anti-sociaal beleid verder zet: onrechtvaardige belastingen (de Turteltaks- die elk Vlaams gezin minstens 100 euro zal kosten, btw op energie, gezondheidstaks ...), ontmanteling van de openbare diensten, nieuwe aanvallen op de lonen, besparingen in de sociale zekerheid ...

Het recht op sociale actie verdedigen en de syndicale vrijheden verdedigen zijn dus kwesties die ons allen aanbelangen. Het is onze toekomst, de toekomst van de maatschappij. Sommige acties van de sociale beweging kunnen misschien in vraag gesteld worden, maar er kan geen twijfel over bestaan dat de vooruitgang er komt door de versterking van de democratische en de syndicale rechten. Niet door ze af te breken.